Crisis in de voetbaljournalistiek? NRC Handelsblad raakt er niet over uitgeschreven. Na een speciaal Cultuurkatern—Het einde van de onafhankelijke voetbaljournalistiek (2 augustus 2016)—tal van nabeschouwingen, hoofdredactioneel commentaar, ingezonden brieven en, uiteraard, het gebruikelijke mea culpa van NRC Ombudsman. Aan de vooravond van de start van een nieuw voetbalseizoen, het lijkt erop dat de lezers bij voorbaat excuses krijgen aangeboden voor weer een jaar lang ondermaatse sportjournalistiek.

Eerlijk gezegd had ik me nooit zo gerealiseerd dat er iets bestond als ‘voetbaljournalistiek’. Tja, verslagen van voetbalwedstrijden, die tref je aan, soms overgenomen van persbureaus, af en toe van eigen verslaggevers, afhankelijk van het belang van de wedstrijd. Afgelopen week stond er zo’n verslag in de krant: over de wedstrijd van Ajax tegen PAOK Saloniki, onder de kop Meelijwekkend Ajax ontsnapt in Griekenland: een wankele 2-1 zege. Elementair journalistiek handwerk, dunkt me. Vroeger mocht je als beginnend verslaggever een stuk schrijven over een brandje om de hoek, als er bij de gevestigde journalisten geen animo bestond om zo’n primeur binnen te halen. Als er ruimte is, blijft het stuk staan, al dan niet met je naam eronder, anders verknipt de eindredactie het tot een gemengd bericht van vijf regels. In Nederland bestaat een aantal speciale voetbaltijdschriften: Voetbal International en het nogal pretentieuze Hard Gras. Af en toe komt de gewone krant tot ‘achtergrondbeschouwingen’ en wordt er bijzondere aandacht besteed aan een bepaalde club of speciaal verschijnsel. In de zomermaanden besteedde mijn krant af en toe aandacht aan de perikelen bij FC Twente: werd de club wegens financiële malversaties bestraft door gedwongen degradatie of niet?

Uit de paniekberichten van NRC Handelsblad kun je eigenlijk niet goed opmaken over welk soort voetbaljournalistiek de kwestie eigenlijk gaat. Soms gaat het over kranten die niet meer kunnen concurreren, soms over de opkomst van de sociale media, de vele kapers op de kust, tegenwerking van spelers en clubs (vriendjespolitiek), concurrentie van de clubmedia. Van afstand lijkt het me dat problemen van de schrijvende pers een ander karakter hebben dan die van radio en tv, maar dat komt slecht uit de verf. De hele ophef verbaasde me nogal, voor zover ik het kan zien voldoet mijn krant adequaat aan wat je van een algemeen dagblad mag verwachten: nieuwsberichten over de sport op de maandag, af en toe een speciale wedstrijd uitgelicht, in redelijke stijl geschreven en niet al teveel taal- en stijlfouten. Ik blader wel eens door de sportpagina’s van andere kranten, ik ben altijd blij dat ik daar niet op geabonneerd ben.

Een groot probleem van de voetbaljournalistiek zou de neiging zijn van journalisten om de ‘sterren’ naar de mond te praten, ze vinden net blijkbaar interessant om tot de inner circle van voetbalvedetten te behoren. Is dat bij de politieke journalistiek van Den Haag dan zo anders? Bovendien lijkt me dat vooral een probleem voor de radio en tv. Bij programma’s als Studio Sport valt op hoe diep de mannen met de microfoon door het stof gaan voor voetballers of trainers die nauwelijks een fatsoenlijk zin uit de mond krijgen, en de ontstellende onnozelheid van de vragen die worden gesteld. Ik zou aarzelen om dat soort activiteiten als ‘journalistiek’ te kwalificeren, de mannen die de microfoon mogen vasthouden, geven immers kritiekloos iedere kreet door die de aangesprokene de lucht in slingert, zonder bewerking of kritische reflectie.

Over de verslaggeving bij voetbalwedstrijden heb ik op deze plaats al eerder geschreven. Daarbij wordt volkomen overbodig nog eens naverteld wat iedere kijker met eigen ogen kan zien, en meestal aanzienlijk beter dan de commentator. Onkundigheid, onverschilligheid, betweterij, afgrijselijk taalgebruik. Ik heb met instemming Auke Koks reactie op de ‘voetbaljournalistieke crisis’ gelezen, een dag na verschijning van het bewuste katern. De schuld kan de sportjournalistiek grotendeels bij zichzelf zoeken, schrijft hij. Kok heeft het over de starkissers: verslaggevers die slaafs achter hun helden aanlopen, zich totaal niet bewust dat hun helden misschien niet zo heroïsch zijn. De opzet van de voetbalverslaggevers is, zoals Kok het uitdrukt, quotejes halen: ze begeven zich na de wedstrijd naar een persruimte waar trainers en spelers hun eerste indrukken ten beste geven. Wat je daar hoort is de afgesleten opmerking dat de spits weliswaar erg blij was met zijn doelpunt, maar dat hij uiteindelijk gescoord heeft voor het hele team. De trainer vertelt met een diepzinnige uitdrukking op het gezicht dat we eerst met 1-0 achterstonden, maar later toch gelijkmaakten en uiteindelijk bijna met 2-1 wonnen; volgende week beter. Kok pleit er terecht voor dit onderdeel van de voetbalverslaggeverij rigoureus af te schaffen.

Een groot deel van de zogenaamde problemen hangt samen met de aard van de voetballerij, dunkt me. Voetbal is oorlog, zei Rinus Michels. Inderdaad, het sportieve karakter is volstrekt ondergesneeuwd. Voetbal is geen oorlog, maar entertainment geworden, een amusementsindustrie. Voetballers zijn acteurs, popidolen, rolmodellen. De journalistieke aandacht zou moeten verschuiven naar de achterliggende dynamiek van deze sector, de onzinnige hoeveelheid geld die erin omgaat; in Nederland maar al te vaak belastinggeld. Ook indirect: waarom betaalt de publieke omroep zo krankzinnig veel geld om samenvattingen te mogen uitzenden en wie bepaalt dat we avond in, avond uit voetbal op tv kunnen zien? Inclusief het eindeloze gezever van zogenaamde analisten in voorbeschouwingen, pauzegesprekken en nabeschouwingen? Het is een tsunami van gekwebbel dat alleen maar meer gekwebbel voortbrengt, als een vliegwiel.

Wie onderzoekt de geldstromen? Waar komen ze vandaan? Wie daalt er eens af in die bodemloze put? Hoe worden clubs bestuurd? Uit welke circuits worden de voorzitters en penningmeesters gerekruteerd? Soms krijg je uit onverwachte hoek wat informatie toegespeeld: politici die zich laten corrumperen door tickets voor belangrijke voetbalwedstrijden. En in verband daarmee: wat zoeken de supporters bij hun club, krijgen ze waar voor hun geld? De BBC besteedt daar veel aandacht aan, verslaggevers reizen mee met de supportersbussen, houders van seizoenskaarten worden bevraagd. Voor dat soort reportages heb je bepaald geen spelers nodig, laat staan trainers of besturen. Er bestaat al een oud gezegde in de journalistiek: het nieuws ligt op straat, je moet het alleen wél zien.

 

illustraties
Auke Kok; bron: twitter.com
Danny Blind; bron: nu.nl