In India woedt een ‘volksoorlog’, al tientallen jaren. Ik lees dit in NRC Handelsblad (28 maart 2018) als kop boven de laatste reportage die Joeri Boom voor de krant schreef als correspondent in India. Jammer dat hij vertrekt, ik las zijn stukken graag. Hij was aanzienlijk meer betrokken en beter geïnformeerd dan de medewerkers die de krant vóór hem als correspondent had uitgestuurd.

Ter zake.

Van het begrip ‘volksoorlog’ keek ik op. In mijn Nederlandse woordenboek wordt de term omschreven als een oorlog waaraan het gehele volk deelneemt. Dat is een verkorte versie van wat ik terugvond in een militair handboek uit de 19e eeuw: In den uitgestrektsten zin een nationale oorlog, waarbij het geheele volk een werkelijk belang heeft, of wel meer bijzonder een oorlog, waaraan het volk met de wapens in de hand en buiten de organisatie van het leger, dat uit hem is voortgesproten deelneemt. Of dit overeenkomt met de opzet van correspondent Boom kan ik niet vaststellen: hij legt het begrip nergens uit in zijn bijdrage. Maar hij schrijft over de Maoïstische rebellen in India, dus ik heb een vermoeden: ‘volksoorlog’ zal de vertaling zijn van People’s War. Een woord dat je in toonaangevende Engelstalige dictionaries overigens vaak vergeefs zult zoeken, maar dat onmiskenbaar tot het linksige jargon hoort. Net als People’s Democracy, of People’s Army of People’s Republic, ook wel geschreven zonder de apostrof. Marxistisch-leninistische begrippen die duiden op de ontwikkelingsfase na de succesvolle machtsgreep van de Communistische Partij in een land. In deze fase vindt de overgang plaats van het burgerlijke kapitalisme naar de communistische heilstaat.

In welke fase moeten we de volksoorlog plaatsen? Vóór of ná de communistische machtsovername? In India kun je met dit soort schematische benaderingen slecht uit de voeten. Het land verkeert in een reeks van ontwikkelingsfasen tegelijkertijd: aan de ene kant een hypermoderne kapitalistische staat met allerlei democratische elementen, zoals een vrije pers en reguliere verkiezingen, aan de andere kant ongeletterde jagers en verzamelaars in een zelfvoorzienende economie. En zo’n beetje alles daar tussenin. Joeri Boom baseert zijn verslag op een verblijf in de deelstaat Chhattisgarh, Oost-Centraal India, ingeklemd tussen de deelstaten Andra Pradesh, Madhya Pradesh, Jharkand en Odisha—met zo’n dertig miljoen inwoners, waarvan ruim éénderde onder de armoedegrens; de meesten zogenaamde adivasis. Volgens Boom zijn dat de Aboriginals van India: de oudste stammen van het subcontinent, met hun eigen talen, gebruiken en primitieve levenswijzen. Bewoners van de jungle. Tribalen. Er zijn verschillende aanduidingen in omloop, in het Hindiwoord adivasi (आदिवासी) komen ze samen: oorspronkelijke inwoner, lid van een inheemse stam, inheems. In de streek rond Bastar laat Boom zich rondleiden door een politieman die hem meeneemt naar een dorp dat de politie onder controle zou hebben. Desondanks gaat er een handvol zwaarbewapende lijfwachten mee.

Bastar is een van de gebieden waar al vele jaren zwaar gevochten wordt tussen de Maoïsten en allerlei speciale politie- en legereenheden. Er zouden de afgelopen twintig jaar zo’n 12.000 doden gevallen zijn, volgens een rapportage van de Indiase overheid voornamelijk onschuldige burgers die door de rebellen doodgeschoten werden of in kruisvuur terechtkwamen. Een guerrillabeweging, aldus Boom, moet door de omgeving worden geholpen om de strijd vol te kunnen houden. Waar komt die steun vandaan? De politieman die Boom rondleidt zegt dat de bevolking steun verleent uit angst. De mensen zouden vatbaar zijn voor propaganda en bang voor de volksrechtbanken die genadeloze straffen uitdelen, zegt hij.

Je kunt je uiteraard afvragen waar de steun vandaan komt, maar ook wat nu eigenlijk de inzet is van de strijd. Volgens Boom is de Maoïstische guerrilla erop uit om de staat omver te werpen, veel meer kom je niet te weten. Welke staat? Chhattisgarh? Heel India? De reportage heeft iets raadselachtigs zonder duidelijk antwoord op die fundamentele vragen. Toch is de correspondent van NRC Handelsblad bepaald niet de eerste en enige die de kwestie bestudeerd heeft. Een jaar of acht geleden verscheen Broken Republic, drie essays van Arundhati Roy, waaronder een uitvoerig verslag van een tocht door de jungle rond Bastar met de ‘kameraden’. Het onderscheid tussen de tribalen en de Maoïsten is voornamelijk kunstmatig, zegt Roy. Misschien dat de aanvoerders van de beweging doorgewinterde Maoïsten zijn, maar de dynamiek wordt wel degelijk ingebracht door de inheemse bevolking zelf. Roy laat er geen twijfel over bestaan: de guerrilla bestaat uit straatarme tribalen die chronisch honger hebben. They are people who, even after sixty years of India’s so-called Independence, have not had access to education, health care or legal redress. They are people who have been mercilessly exploited for decades, consistently cheated by small businessmen and moneylenders, the women raped as a matter of right by police and forest department personnel. Van de overheid hebben de adivasis geen enkel mededogen te wachten, en dat ze massaal de wapens hebben opgepakt, heeft vooral te maken met de systematische pogingen van diezelfde overheid om het laatste te stelen van wat er nog over was: het grondgebied.

Boom maakt er terloops melding van, maar volgens Roy draait juist alles om de schatten in de bodem van dat grondgebied: de bauxiet in Odisha, de vele miljoenen tonnen ijzererts van hoge kwaliteit in Chhattisgarh en Jharkand en de vele andere kostbare mineralen die hier te vinden zijn: uranium, steenkool, tin, graniet, marmer, koper, diamanten, goud, silicium en nog veel meer. De Indiase overheid strijkt onmetelijke rijkdommen op van de grote, internationale mijnbouwbedrijven die hier concessies krijgen om die kostbaarheden op te graven. Het geld verdwijnt grotendeels in de zakken van corrupte politici en ambtenaren. Het volk dat er sinds mensenheugenis woont, kan maar beter ophoepelen. Om de bauxiet en de ijzererts uit de grond te halen, moeten de plaatselijke tribalen naar de steden gejaagd worden, waar ze op de vuilnishopen en in de goot terechtkomen. Volgens Roy is India een politiestaat geworden, tot op het bot gemilitariseerd. Om dit te rechtvaardigen is er behoefte aan een vijand: de Maoïsten.

 


Maoïst of Aboriginal?

Hoe kunnen de speciale eenheden van politie en leger Maoïsten onderscheiden van tribalen? Geldt een adivasi die met pijl en boog in de jungle op jacht is ook als een guerrillastrijder? Tellen sympathisanten mee? Roy kreeg politiefoto’s te zien van een reeks doodgeschoten Maoïsten. Ze vroeg de politiecommandant, apetrots op het succes van ‘zijn jongens’, hoe je kon zien dat het om Maoïsten ging. Hij antwoordde: See ma’am, they have malaria medicines, Dettol bottles, all these things from outside.

 


Things from  outside

India is vanaf de onafhankelijkheid een koloniale macht geweest, concludeert Roy bitter, druk bezig met het annexeren van grondgebied en oorlogsvoering. Het land heeft nooit geaarzeld om keihard militair in te grijpen om politieke problemen op te lossen: Kashmir, Goa, Hyderabad, Nagaland, Manipur, Telangana, Assam, Punjab, West Bengalen, Bihar, Andhra Pradesh en nu de tribale gebieden van Centraal India. Tens of thousands have been killed with impunity, hundreds of thousands tortured. All of this behind the mask of democracy. De oorlogen zijn gevoerd tegen tribalen, moslims, sikhs, christenen, communisten, onaanraakbaren. It is hard not to see the Indian State as an essentially upper-caste Hindu State (regardless of which party is in power) which harbours a reflexive hostility towards the ‘other’.

Volksoorlog?  Ik vrees dat de situatie een stuk ingewikkelder is. Misschien kan Joeri Boom na z’n pensionering nog eens nadenken over wat hij in India nou eigenlijk precies heeft gezien en gehoord.

 

illustraties:
alle afkomstig uit Arundhati Roy, Broken Republic. London etc (Hamish Hamilton) 2011