Een tekst rolt door de tijd, en de dichter ligt dood en begraven. Prachtige zin! Zou zó uit een fraai gedicht geplukt kunnen zijn. Maar nee, ik ontleen hem aan de Gebruiksaanwijzing die bij wijze van inleiding is afgedrukt in Luceberts zoekend oog, een lezersvisie op de poëzie van Lucebert door H.U. (‘Ulli’) Jessurun d’Oliveira. Het boek kwam vorig jaar uit en bevat grotendeels eerder gepubliceerd werk van de schrijver uit het gerenommeerde literaire tijdschrift Merlyn, dat in het midden van de jaren 1960 de close reading introduceerde in Nederland. Waar gaat het bij de beoordeling van literaire producten om, het werkstuk zélf als autonoom kunstwerk of de auteur die erachter zit en het geschreven heeft? Het citaat laat zien waar Jessurun d’Oliveira staat in deze discussie. Hij kiest voor de ‘vorm’ en niet voor de ‘vent’.

Deze kwestie liep hoog op, althans in de Nederlandse letteren, rond het tijdschrift Forum. Ook al een tijdschrift dat maar een paar jaar heeft bestaan, maar nog steeds actualiteitswaarde heeft. Menno ter Braak en Edgar du Perron pleitten vurig voor een literatuur die persoonlijk was, waarin de geest van de schrijver duidelijk was af te lezen. Hij moest zich niet onderwerpen aan formele voorschriften over de ‘vorm’. Verwarrend, want de terminologie—‘vorm of vent’ werd bedacht door de dichter J.C. Bloem—is onduidelijk. Eind jaren 1960 promoveerde J.J. Overstegen, met Jessurun d’Oliveira de drijvende kracht achter Merlyn, op het onderwerp. Hij schrijft in de inleiding tot zijn dissertatie: Met ‘vorm’ korreleert ‘inhoud’, en de vraag naar de onderlinge verhouding van deze twee aspekten van het literaire werk, is de meest voorkomende wijze waarop denkbeelden over de aard ervan aan de orde gesteld plachten en plegen te worden (…) De term ‘vent’ daarentegen, een polemische versie van ‘persoonlijkheid’, had betrekking op een heel andere vraag: wat is voor de lezer belangrijker, de volmaaktheid van het literaire produkt of de oorspronkelijke bijzonderheid van de schrijver?

Jessurun d’Oliveira merkt op dat de kwestie in de huidige tijd weer aan belang gewonnen heeft, het is uiteraard tevens de rechtvaardiging voor de heruitgave van zijn opstellen die zo’n vijftig jaar geleden werden geschreven. De dichter treedt weer vol op de voorgrond. Zij laat zich zien op festivals, mengt zich in poetry-slams, geeft interviews, verschijnt op tv en laat zich horen op de radio. De analyse stemt bijna woordelijk overeen met de stelling van de Britse schrijver Tim Parks in zijn opstel over The Writer’s Job, in de eveneens vorig jaar gepubliceerde bundel Where I’m Reading From. The Changing World of Books. Het is niet meer de taak van schrijvers om boeken af te leveren, zegt Parks, maar om zichzelf te promoten op iedere denkbare manier. He, or let’s say she, launches a website, a Facebook page, perhaps hires her own publicist. She attends literary festivals all over the world, for no payment. She sits on literary-prize juries for very little money, writes articles in return for a one-line mention of her recent publication, completes dozens of Internet interviews, offers endorsements for the books of fellow writers in the hope that the compliment will be returned. En, zegt Parks, je zou zonder moeite deze lijst nog flink kunnen uitbreiden.

 

 

Een interessante uitzondering vormt trouwens misschien het geval Elena Ferrante. Tot voor kort was over haar (of is het ‘hem’?) niets bekend, maar desondanks zijn haar boeken bestsellers over de hele wereld. Juist zonder die gulzige zucht naar aandacht en publiciteit. Alom werd gespeculeerd over haar identiteit, in een Nederlandse krant las ik zelfs dat Ferrante het pseudoniem zou zijn van actrice Sophia Loren. Hoewel, uitzondering? Juist de hysterische speurtocht naar de persoon van de schrijver in dit geval, bevestigt hoe onmisbaar de ‘vent’ is bij de beoordeling van een literair werkstuk. Een boek lijkt inderdaad pas de moeite waard als de schrijver te gast is geweest bij een babbelprogramma op de tv en iedere uitgever droomt ervan dat de leden van ‘zijn’ stal zulke exposure krijgen. Je merkt het bij besprekingen van literatuur, niet alleen in kranten en tijdschriften en andere media, maar ook in informele gezelschappen, zoals leesclubs. Een boek is kennelijk afdoende besproken als je de biografie van de auteur presenteert of haar interviewt.

Jessurun d’Oliveira wijst op de gebreken die kleven aan de aandacht voor de auteur. De auteur kan vaak niet meer ondervraagd worden over zijn bedoelingen, of we weten weinig of niets van hem af. Wat weten we van de bedoelingen van Homerus, van Shakespeare? Inderdaad, tot op de dag van vandaag weten we niet eens hoe die schrijvers er precies hebben uitgezien. Het kunstwerk is autonoom, het gedicht (of de roman) heeft zijn zelfstandigheid veroverd tegenover de maker, zodra het door deze afgescheiden is. Aldus Jessurun d’Oliveira. Aan de andere kant staat Tim Parks. Hij zegt: de schrijver/dichter is in staat ieder taboe te overschrijden en het toch in stand te laten, want hij kan zich verschuilen achter het excuus dat de dingen die hij beweert en beschrijft in zijn werkstuk onderdeel van die wereld zijn en niet van de ‘echte’ wereld. Maar is dat ook zo? Wat kunnen we leren over de literatuur door de reacties uit de omgeving van de schrijver, vraagt Parks zich af. Hij noemt als voorbeeld Christina Stead die in Letty Fox: Her Luck over haar stiefdochter schrijft dat ze een promiscue seksuele opportuniste is. Wat heeft Stead’s partner, de vader van het meisje, gedacht toen hij dat las? Wat zou Emma Hardy gevonden hebben van het oordeel van echtgenoot Thomas Hardy over haar seksuele problemen in Jude the Obscure? De diverse echtgenoten van Philip Roth? Tal van schrijvers maken onbekommerd gebruik van hun eigen belevenissen en de mensen in hun omgeving; een beroerde jeugd geldt niet voor niets als een goudmijn voor de literatuur. Ik ken mensen die fysiek onpasselijk werden door het lezen van Edward St Aubyn’s Patrick Melrose Novels–gebaseerd op ware gebeurtenissen.

 

 

Uiteraard zal de biografie van de schrijver doorklinken in zijn werk, het lijkt onvermijdelijk, maar de vraag is wat dit betekent. Parks is er niet erg duidelijk over. De biografische kennis die hij opdeed over Fjodor Dostojevski, zegt hij, maakten de lezing van Aantekeningen uit de ondergrondse ‘intens’. De schrijver tekende op hoe de verteller in het verhaal jonge hoeren de stuipen op het lijf jaagt door ze te voorspellen dat ze allemaal sterven aan tbc in het bordeel. Toen Dostojevski het schreef lag zijn eigen vrouw in het kamertje naast hem dood te gaan; tbc. Nu Parks dat weet, zegt hij, slaat er een frightingly negative energy van de pagina.

Tja, dat is misschien begrijpelijk, maar is het ook relevant? Als je niet zuiver kunt aangeven op welke manier een gedicht of roman door het leven van de kunstenaar gevormd is, blijft iedere poging daartoe dubieus. Zoals Jessurun d’Oliviera zegt: Dat een werk zijn oorsprong mede vindt in levensfeiten en ervaringen van de auteur mag en zal zo zijn, maar die verbanden op te sporen is niet alleen vooral giswerk, maar leidt bovendien af van de zelfstandigheid van het literaire werk. Interpretaties aan de hand van biografische gegevens zijn menigmaal irrelevant of misleidend.

 

illustraties
Fjodor Distojevski; bron: vpro.nl
Tim Parks; bron: The Independent
H.U. Jessurun d’Oliveira; bron: literatuurplein.nl