Meneer A, laten we hem voorlopig maar even zó noemen, staat ’s ochtends op en loopt in zijn pyjama door het huis. De pyjama is een kledingstuk dat oorspronkelijk uit Oost-Indië komt. Het bed waarop hij geslapen heeft, is een nazaat van een meubelstuk dat ooit in Perzië ontworpen is. Het katoen van zijn nachtkleding komt uit India, het linnen van zijn beddegoed uit het Nabije Oosten, wol uit Klein Azië, zijde uit China. Om van de grondstoffen bruikbare textiel te maken had je allerlei bewerkingsmethoden nodig; ontwikkeld in Zuidwest Azië.

Als meneer A zich naar zijn badkamer begeeft, is hij omgeven met materialen die het licht zagen in wat hij als exotische vakantieoorden beschouwt. Het glas uit het oude Egypte, geglazuurde tegels uit het Nabije Oosten, porselein uit China; emaille, badkuip en wc uit het oude Rome. Hij wast zich met een produkt dat door de Galliërs uitgevonden is: zeep, terwijl het scheren ooit onderdeel was van heidense rituelen uit Sumerië. Gelukkig heeft meneer A vlijmscherpe stalen scheermesjes — staal is uitgevonden in India of Turkestan. Het fenomeen handdoek, waarmee meneer A zich droogwrijft, komt uit Turkije.

Hij moet zich aankleden en haalt zijn kleren van de stoel, uitgevonden in het Nabije Oosten. Zijn schoenen zijn van leer. Het leerlooien is ook al uitgevonden in het oude Egypte, het idee om er schoeisel van te maken is te danken aan de Grieken, net als het poetsen van de schoenen. Voordat meneer A. zich aan de wereld wil tonen, slaat hij een blik in de spiegel — van oorsprong een vinding uit het Middellandse Zeegebied. Voor zijn ontbijt gebruikt onze held bordjes en kopjes; servies komt uit China, zijn vork uit Italië, zijn lepel uit het oude Rome. Hij kan niet zonder kopje koffie, afkomstig van een plant uit Abessinië en als brouwsel ontdekt door Arabieren. Klontje suiker: ontdekt in India. Wolkje melk. De domesticatie van vee en de techniek van het melken komen uit Klein Azië. Z’n sapje komt van de sinaasappel, die in het Mediterrane gebied werd geteeld, z’n muesli zit vol met granen die voor het eerst in het Nabije Oosten werden verbouwd. Zijn pakje boter is een verre achterneef van een cosmeticaprodukt uit het Nabije Oosten.

 

Op weg naar zijn werk zet hij z’n hoed op. Vilt komt van Oost-Aziatische nomaden. Hij neemt zijn overschoenen mee, gemaakt van rubber, een Mexicaanse uitvinding, en pakt zijn paraplu, uit India. Onderweg rookt hij stiekem een sigaretje, uitgevonden in Mexico; een sigaar, uit Brazilië, bewaart hij voor later. Hij stopt de krant bij zich: een produkt dat zonder uitvindingen in China, Duitsland en het Nabije Oosten ondenkbaar zou zijn. Hij dankt God, Hebreeuwse uitvinding, dat hij weer naar kantoor mag.

Meneer A, u had het al geraden, is in werkelijkheid meneer Balkenende, meneer Bolkesteijn, meneer Wilders, meneer Rutte, meneer Samsom, mevrouw Verdonk, meneer Zijlstra, meneer Teeven, mevrouw Agema. Meneer A, of mevrouw A, past ons allemaal. We zijn honderd procent (100%) Nederlands — van vreemde smetten vrij — en dat willen we graag tot in lengte van dagen zo houden.

 

(met dank aan Ralph Linton, 1937)