Mijn krant besteedde maar liefst een hele pagina aan Vrij Nederland, de ‘drie’ nog wel, de begerenswaardigste plek. Het gaat slecht met het opinieweekblad, de oplage zit om en nabij de dertigduizend, en om de boel te redden, mikt de leiding op een voortbestaan als maandblad, zoals eerder HP/de Tijd, en op de website. Hoofdredacteur Frits van Exter houdt het voor gezien. Toen hij aantrad heeft hij ‘diepgravende journalistiek’ in het blad teruggebracht en de ‘kwaliteit van de stukken verhoogd’–vindt hij zelf. Op die koers gaat het blad verder, maar zonder hem.

Het verdwijnen van de gedrukte media is volgens velen zorgelijk. In Nederland komt de oplage van alle opiniebladen bij elkaar sinds vorig jaar niet meer boven de honderdvijftigduizend uit–in de jaren negentig, twintig jaar geleden, haalde Elsevier dat in z’n eentje. Hoe het komt? Joost mag het weten, er wordt al jaren vruchteloos over gespeculeerd. Is het toe te schrijven aan externe factoren? Je zou het denken, want alle betrokkenen papegaaien elkaar na dat jongeren niet meer lezen, dat de tv de rol van kranten heeft overgenomen, dat de bevolking bezig is te aanalfabetiseren. Maar in zijn column op de Achterpagina van NRC Handelsblad (16 december 2015) merkte Frits Abrahams op dat de betreffende bladen (in het bijzonder Vrij Nederland, want daar ging zijn stukje over) ook wel eens de hand in eigen boezem zouden kunnen steken. Voorbeeld: de stiefmoederlijke behandeling van kunst en literatuur in de media, óók door Vrij Nederland dat ooit befaamd was door de zogenaamde Boekenbijlage. Abrahams: De hoofdredacteuren die dit jarenlange kroonjuweel van VN hebben afgeschaft, of niet meer in ere hersteld, valt heel wat te verwijten.

Inderdaad. Ik kan me zo’n hoofdredacteur nog herinneren; kort na zijn aantreden liet hij bekend maken dat er onder zijn bewind een frisse wind ging waaien en dat het tijd werd de krant te vernieuwen door het aantrekken van jonge medewerkers. Er ging een gehuil van verontwaardiging op over dit treurige cliché, dat als een dynamische visie in de pers werd gelanceerd. Inderhaast moest een vergadering worden belegd om het legertje van geschokte medewerkers—recensenten van naam en faam—een beetje te pacificeren, maar de neergang was niet meer te stuiten.

Vrij Nederland had een brede formule, behalve aandacht voor literatuur ook sport (Frits Barend en Henk Van Dorp), Haagse politiek, interviews, achtergronden en schitterende ‘sociale reportages’. Ik maakte mijn studenten attent op het weekblad; ze studeerden weliswaar sociologie en antropologie, maar de indringendste ‘sociologische’ inzichten vond je daar, in het kleurenkatern. Gerard van Westerloo en Elma Verhey–de namen spreken voor zichzelf–over de stacaravan, de trambestuurders, de matineuze gebruikers van de pont achter het Centraal Station (‘de ruggengraat van Nederland’). Daar leerde je hoe Nederland in elkaar zat. Misschien werd er bij Vrij Nederland niet zo ‘literair’ geschreven als bij de Haagse Post, maar de scherpte van de visie en de diepgang van de observaties vonkten er vanaf.

De krant was dikwijls controversieel, sommige nummers waren binnen een paar uur uitverkocht (het interview met Defensieminister Henk Vredeling, herinner ik me nog, of dat met Steenkamp over het gebrek aan geweten bij katholieken), andere nummers werden op bepaalde plekken verboden, als er te kritisch over sommige instellingen werd geschreven (het leger, bij voorbeeld). Bij het blad heerste een zekere arrogantie, maar dat was gerechtvaardigd: VN-redacteuren waren gewoon de beste, daar kon niemand tegenop. Stukken waren soms lang, maar meestal doorwrocht en genuanceerd. Zelden saai, hoewel je dat van nóg arrogantere journalisten, zoals die van de Haagse Post, wel eens kon horen. Op kopijpapier van de krant stond onderaan een tekst die ongeveer aldus luidde: Reuze interessant, maar zou de lezer dat ook vinden?

Zélf ben ik als medewerker zo’n jaar of vijfentwintig, dertig bij het blad betrokken geweest, niet alleen als recensent, maar ook als verslaggever. Als universitair onderzoeker en docent had ik soepele werktijden, ik kon me schikken. Bovendien besprak ik vaak ‘vakliteratuur’, ik vond dat te rijmen met de maatschappelijke taak van een wetenschapsbeoefenaar. Niet onbelangrijk was het milieu van de journalistiek… verre te prefereren boven dat van de academische gemeenschap, meende ik. Journalisten wisten veel over van alles, konden er smakelijk over vertellen, schreven oneindig veel beter dan academici en zaten uren in de kroeg. Goed gezelschap.

Ik heb een archiefdoos te voorschijn gehaald waarin een hele stapel Vrij Nederland ligt opgeslagen, niet helemaal duidelijk waarom ik die nummers heb bewaard. Had Frits Abrahams gelijk met zijn waarderende woorden over het blad? Ik vond een aantal exemplaren van de Kleurenbijlage uit de jaren tachtig, Abrahams was toen redacteur. Hij heeft gelijk, denk ik, ik raak tenminste onder de indruk als ik de nummers doorblader. Hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse schrijft in september 1980 over zijn Vrij Nederland en de Jaren Zestig (Vrij Nederland bestond veertig jaar), waarbij hij weergeeft hoe het sollicitatiegesprek met zijn voorganger Mathieu Smedts verliep:

‘Kan je schrijven?’, vroeg Smedts.
‘Ja’, zei ik.
‘Nou, dan is het geregeld’, zei hij.

Bijna honderd pagina’s overzicht van zowel het blad als de roerige jaren zestig met als strekking: niemand heeft die jaren zo goed vastgelegd als juist Vrij Nederland en misschien is dat inderdaad waar, nog steeds. Verder in het nummer de vaste onderdelen: Gerrit Komrij’s rubriek over architectuur (Het boze oog), de ‘kinderkrant’ (Blauw geruite kiel), de rubriek ‘pockets’ waarin een handvol recente uitgaven wordt besproken (onder redactie van Carel Peeters en Doeschka Meijsing), de strip van Jaap Vegter over treurige mannen en vrouwen en–uiteraard–de kookrubriek van Hugh Jans. Redacteuren probeerden thuis wel eens een recept van hem uit, maar daar bleek nogal eens iets aan te mankeren. Ze belden hem om uitleg, maar doorgaans wist hij het verlossende antwoord niet. Drankzucht, werd er dan vilein opgemerkt.

De laatste boekenbijlage van het jaar 1981 telt tachtig pagina’s, met stukken over Gerard Reve, Stevie Smith, Ethel Portnoy, Hella Haasse, Josepha Mendels, Karen Blixen, John Updike en bijdragen van Ferdinandusse (hij besprak altijd de nieuwe detectives), Meijsing, Maarten ’t Hart, Diny Schouten, Ieme van der Poel, Gerard Mulder. Om maar een greep te doen. Een andere bijlage is gewijd aan de Nederlandse oorlogsverslaggevers in 1947 (Indonesië), de ‘bureaucratie van de dood’, over het regime Pol Pot, Midden Amerika (‘de achtertuin van de Verenigde Staten’), Frankfurter Schule, het gymnastiekonderwijs in Nederland (De Gymnastieker) en de zestig opnamedagen voor Charlotte, een film van Frans Weisz–scenarioschrijfster Judith Herzberg was bij het filmen aanwezig en hield een dagboek bij.

Niet alleen de Boekenbijlage was het kroonjuweel van Vrij Nederland, ook de VN-achtergrondreportage. Spannende verhalen (na al die tijd nog steeds), relevant, goed geschreven, journalistieke kunststukken. Veel stond me nog bij, ik heb de nummers destijds blijkbaar zorgvuldig gelezen. De laatste jaren heb ik Vrij Nederland nauwelijks meer gezien. Bij de tandarts af en toe, in het café, bij vrienden. Maar zelfs met een pistool aan mijn slapen zou ik niet één stuk kunnen reproduceren. Dat ligt vast niet alleen aan mij.

 

 

illustraties
Rinus Ferdinandusse; bron: img.literatuurplein.nl
Frits Abrahams; brond: vorige.nrc.nl