Is de positie van vrouwen een geschikte beste indicatie voor sociale verandering? Ik las onlangs in Stefan Zweigs Die Welt von gestern, zo’n vijfentwintig jaar geleden bij De Arbeiderspers, Amsterdam, in vertaling verschenen als De wereld van gisteren. Kort voor zijn zelfmoord in 1942 opgetekend en ook al als zodanig een belangwekkend en ontroerend document. Scherpe observaties van het Weens-joodse milieu waar hij vandaan komt—in zijn jonge jaren was Wenen een bruisend centrum van schilderkunst, muziek, literatuur, wetenschap en filosofie; misschien een beetje zoals New York of Londen nu. Hij zat daar middenin en maakte er actief deel van uit. Na de Eerste Wereldoorlog de opkomst van het fascisme dat diepe scheuringen veroorzaakte in de Weense samenleving.

Toen Zweig zich die tijd voor de geest probeerde te halen en zijn aantekeningen opschreef, kon hij zich niet documenteren. Hij was met zijn vrouw naar Brazilië gevlucht en had niet eens de beschikking over zijn eigen boeken. Alles uit zijn geheugen, dat moet fabelachtig zijn geweest. Voor iedere biograaf is het een zware opgave de historische perioden waarin een leven zich afspeelt nader te duiden en vast te stellen welke de kenmerken waren en hoe deze zijn te onderscheiden van andere tijdvakken, zeker voor iemand die alleen maar op zijn herinneringen teert en niets kan controleren.

Zweig gaat uitvoerig in op zijn puberteit en de troosteloze gymnasiumjaren met slecht onderwijs. Hij zegt dat kinderen zich over het algemeen moeiteloos onderwerpen aan de regels van hun milieu als ze zien dat anderen zich daar even oprecht bij neerleggen. Het wordt anders als ze met onwaarachtigheid en hypocrisie worden geconfronteerd—dat brengt jonge mensen er onvermijdelijk toe hun hele omgeving met een wantrouwige en dus scherpere blik waar te nemen. Dit gold met name voor het verschijnsel van de seksualiteit—volgens de auteur omgeven met heimelijkheid en stiekemheid. Omstreeks 1900 werd over seksualiteit en de relatie tussen de geslachten totaal anders gedacht dan omstreeks 1940, aldus nog steeds Zweig.

Hij beschrijft ter illustratie de mode van de eeuwwisseling, het feit dat alle vrouwen hun haar tot op de heupen konden ontrollen en dat er dagelijks een kapster aan huis moest komen om dit lange haar met een legioen van haarspelden, spangen en kammen en met behulp van krultang en kruipennen gekroesd, strakgetrokken, geborsteld, gekamd en als een toren op te bouwen. Daarna kon pas aan de rest worden begonnen: het zodanig draperen van onderrokken, kamizooltjes, blouses en jakjes dat de laatste resten van haar vrouwelijke en persoonlijke vormen verdwenen. Bij een bruiloft, zegt Zweig, had de bruidegom vaak geen idee of zijn toekomstige levensgezellin recht of krom van leden was, mollig of mager, kort of lang van benen. Het is absoluut geen legende, volgens de auteur, dat er vrouwen als oude dame stierven, van wier lichaam behalve de vroedvrouw, de echtgenoot en de lijkbezorger niemand zelfs maar de schouder of de knie had gezien. Na een periode van enkele decennia, zegt Zweig, lijkt dit allemaal een sprookje of een humoristische overdrijving, maar de angst voor lichamelijkheid had het hele volk, van hoog tot laag, doordrongen. Toen de eerste vrouwen zich op de fiets waagden of schrijlings te paard gingen zitten bij het paardrijden, werden ze met stenen bekogeld.

Afgezien van mogelijke vertekeningen—ik heb bij voorbeeld de indruk dat Zweig de seksuele vrijheid (of misschien vrijpostigheid) van het ‘gewone volk’, maar ook van mannen, nogal onderschat—is de beschreven verandering spectaculair. Toch reageert Zweig op een situatie die omstreeks het midden van de negentiende eeuw—dus weer zo’n handvol decennia vroeger—juist als een ‘bevrijding’ werd gezien, misschien in Oostenrijk iets minder uitgesproken dan in andere landen: meer en meer vrouwen konden zich in de loop van de eeuw afwenden van de ruwe, openbare wereld van zware landarbeid of werk in fabrieken en ateliers om zich in een huiselijke omgeving te wijden aan de beschaving van echtgenoot en kinderen. Juist de teerheid en kwetsbaarheid van vrouwen werd gewaardeerd en alles werd in het werk gesteld om ze te vrijwaren van de grofheden en het bedrog in de buitenwereld, waarmee hun echtgenoten dagelijks te maken hadden. Vrouwen werden ‘huisvrouw’, ‘thuisvrouw’, een grote overwinning. De Amerikaanse historicus Ann Douglas sprak in dit verband over een kongsi tussen burgerlijke huisvrouwen en vertegenwoordigers van de kerken, dominees en priesters; een sentimentele revolutie die gedragen werd door stichtelijke lectuur en opbouwende activiteiten als breien, haken, borduren, toneelspel, musiceren.

Is er sprake van slingerbewegingen in de sociale geschiedenis? Als het gaat om de positie van vrouwen zou je soms denken van wel. Het probleem van veel beschouwingen, ook die van Zweig, is dat een duidelijke verankering ontbreekt: over welke perioden gaat het precies? waar zet je de veranderingen tegen af? welke groeperingen worden onder de loep genomen? welke sectoren? is de situatie in de stad anders dan op het platteland? In navolging van mijn gewaardeerde leermeester André Köbben (zie zijn fraaie De tijdgeest en andere ongemakken, 2008) zou je ook rekening moeten houden met het verschijnsel van de wal keert het schip: sommige ontwikkelingen roepen een tegenbeweging op. Tijdens de strijd voor vrouwenkiesrecht in Groot-Brittannië, bij voorbeeld, deden zich af en toe zulke extreme gebeurtenissen voor dat mensen die in principe sympathie hadden voor de beweging, zich daar toch van distantieerden. Bovendien bevinden we ons in een zogenaamde open samenleving, dat gold bij uitstek ook voor Zweigs Wenen, waar allerlei invloeden van ‘buiten’ hun invloed laten gelden: oorlogen, economische crises, maatschappelijke tegenstellingen, technologische ‘revoluties’, toestroom van vreemdelingen en wat al niet.

De positie van vrouwen wordt bij van alles en nog wat van stal gehaald, maar Zweigs beschrijving van de ingrijpende veranderingen in zijn tijd wint, ondanks het gebrek aan precisie, aan diepte en plausibiliteit. Het gaat hem niet alleen om vrouwen als afzonderlijke categorie maar over de relaties tussen de seksen in het algemeen: de positie van vrouwen kan nu eenmaal niet los gezien worden van die van mannen. Onlangs kwam de positie van vrouwen weer uitvoerig ter sprake inzake ‘Keulen’, de aanrandingen die daar op de laatste Oudejaarsavond zouden hebben plaatsgevonden. Selma Leydesdorff mengde zich in de discussie door een stukje op de Opiniepagina van NRC Handelsblad. In kort bestek passeert de vrouwengeschiedenis de revue en opnieuw wordt de positie van vrouwen gebruikt als indicatie van ingrijpende maatschappelijke veranderingen. Dat kan dus ook anders, nu niet met de schrijver als analyticus, die probeert te begrijpen in wat voor soort context hij gevormd is, maar met de auteur als roerganger van de geschiedenis.

Uit het stuk blijkt dat de wereld ‘maakbaar’ werd toen de schrijfster op het toneel kwam, ergens in de jaren zestig, te Amsterdam. Ze richtte Dolle Mina op omdat ze zelf wilde beslissen over haar toekomst. En de lezer krijgt inzicht in de lange, moeizame weg die daaraan vooraf moet zijn gegaan. Een akelig sprookje: Ooit was er een wereld waarin vrouwen niet vrij waren, niet konden beschikken over hun leven en waarin het voor mannen vrij jagen op vrouwen was. Dat was ook een wereld waarin er maar één soort seksueel gedrag bestond. De lezer krimpt ineen… is het werkelijk zó barbaars geweest?! Zweig deed z’n best om aan de hand van concrete voorbeelden tenminste nog iets van verankering te realiseren, hier wordt een vrij zwevende mythe geschetst… iedere overeenkomst met de werkelijkheid berust op toeval.

Leydesdorff kwam op, zag hoe vreselijk het was en sloeg genadeloos toe: Niets sprak meer vanzelf en sindsdien denken we anders en ziet het leven van vrouwen er totaal anders uit. Gelukkig, toch nog gered.

 

illustraties
cartoon; bron: www.geheugenvannederland.nl
vrouwenbeen op fiets; bron: deblondetafelamsterdam.nl