Wezen van het Wereldrijk

Het karakter van de koloniale samenleving in Brits-India begon te veranderen toen er halverwege de negentiende eeuw steeds meer vrouwen uit het moederland overkwamen—al dan niet ‘met de handschoen’ getrouwd; als bruid van een legerofficier of eenvoudige soldaat, bestuursambtenaar, zendeling of planter of juist op zoek naar een ‘goede partij’. In The Siege of Krishnapur, de prachtroman van J.G. Farrell waaraan ik op deze plek al eens aandacht besteedde, arriveert George Fleury als piepjonge employé van de East India Company in Calcutta met zijn zuster Miriam; ze is weliswaar weduwe, maar nog jong en aantrekkelijk genoeg om het hoofd van een veelbelovende vrijgezel op hol te brengen.

Het was riskant, de heersende medische opinie was dat vrouwen nauwelijks tegen het Indiase klimaat waren opgewassen. India werd ook beschouwd als een slechte plek om kinderen te krijgen; veel vrouwen kwamen terecht op het platteland waar in geen velden of wegen fatsoenlijke medische voorzieningen te vinden waren. In het boek van Lawrence James over deze periode (Raj. The Making of British India) vond ik het grafschrift voor de vrouw van Richard Cust. Ze was hem naar India gevolgd in het begin van de jaren 1850, maar had het verblijf niet lang overleefd:

Far in that Orient land, whose annals show
The price paid yearly of domestic woe;
Where many a blooming wife and mother lie
Who left their native country but to die.

’s Zomers trokken de vrouwen en kinderen naar vakantieoorden als Simla of Mussoorie in de heuvels aan de voet van de Himalaya om de verzengende hitte van de vlakten te ontwijken, maar ook daar gold, volgens James: the losses of wives and children were high. Het was in de meeste andere kolonies in Azië of Afrika uiteraard niet veel verschillend.

Als echtgenote van een hoge officier of bureaucraat kon je misschien nog een bevalling regelen in een verpleeghuis, maar de vrouw van een sergeant-majoor of landbouwvoorlichter had meestal geen keus. David Gilmour, auteur van The British in India vertelt het verhaal van Florence Milligan, hoogzwangere vrouw van een kanonnier uit het Brits-Indiase leger, die dagen op een ossenkar moest reizen om een ziekenhuis te bereiken. En van Jenny Partridge die onderweg beviel toen ze met haar man naar een nieuwe standplaats op weg was; hij voelde zich gedwongen haar achter te laten in een soort berghut en kon haar pas na een maand oppikken.

 


De schrijfster van Old Filth.

Ik haal dit naar boven met een concrete aanleiding, de roman Old Filth van de Engelse schrijfster Jane Gardam. Haar hoofdpersoon, Edward (of ‘Eddie’) Feathers QC, heeft zo’n achtergrond, niet in India maar in Maleisië. Zijn moeder was voor haar bevalling naar een ziekenhuis gereisd, maar stierf desondanks direct na de geboorte en met de speciaal ingehuurde min reisde het kind, onder begeleiding van Aunty May van de missiepost, terug naar de standplaats van de vader; in the middle of nowhere. De jongen groeide op tussen de bedienden en leerde het plaatselijke dialect te spreken. Zijn vader had het te druk om zich met de opvoeding te bemoeien. Toen het kind bijna vijf jaar was, kwam Aunty May weer op bezoek. Ze was gekomen om de jongen mee te nemen naar de missiepost om in zes maanden wat Engels te leren, waarna hij naar een kostgezin in Wales moest worden gestuurd waar hij tot zijn achtste zou blijven. Daarna naar de oude lagere school en de oude kostschool van zijn vader. Het joch ging op weg naar ‘Huis’, naar het vaderland, om een degelijke opvoeding te krijgen. De vader sputterde wat tegen, maar Aunty May zei hem dat hij niet moest zeuren: hij was zelf een ‘wees van de Raj’ geweest, een wees van het Britse koloniale wereldrijk.

He seems well and happy, had vader gezegd, I have never seen the need for him to go Home. It’s not the law.
You know perfectly well that it is the custom, had aunty May geantwoord, because of the risk of childhood illnesses out here. You went Home yourself.

Het risico van gevaarlijke ziekten gold als de ‘officiēle’ reden om kinderen naar Huis te sturen, maar daarachter waren andere overwegingen van minstens zo groot gewicht. Ouders wilden niet het risico lopen dat hun kinderen India zouden gaan beschouwen als hun ‘huis’, want Huis was nu eenmaal Engeland (of Schotland, of Wales, of Noord-Ierland) en bovendien vreesden ze dat hun kinderen niet goed Engels zouden leren spreken doordat ze de godganse dag omgeven waren met bedienden en hun verachtelijke ‘chi-chi accent’, zoals het zangerige Hindi-Engels werd genoemd. Ook zouden ze door de bedienden op veel te jonge leeftijd in contact komen met de ‘feiten van het leven’—dus: seksualiteit. Maar de ouders waren net zo beducht dat hun kinderen teveel verwend zouden worden door kindermeisjes en andere bedienden; een zoon die dag en nacht door zijn ayah achternagelopen werd en in alles zijn zin kreeg, zou ernstig risico lopen zich niet gehard en mannelijk genoeg te ontwikkelen. David Gilmour noemt Julia Maitland die al in de jaren dertig van de negentiende eeuw waarschuwt tegen het leren van inheemse talen door Engelse kinderen: door die talen zouden de kinderen op slechte gedachten worden gebracht en opgroeien als little Hindoos.

 


Verwende jongetjes…. onmannelijk

De scheiding tussen ouders en kinderen heeft overigens onbeschrijfelijk leed veroorzaakt, bij alle partijen. Jongens werden geacht op ongeveer hun zesde jaar naar Home te worden gestuurd, over meisjes werd over het algemeen wat minder rigide gedacht. Als de tijd gekomen was, probeerden de ouders een paar maanden verlof te krijgen zodat ze met hun kinderen mee konden reizen—na die periode werden de kinderen achtergelaten. In vele gevallen bij familie, maar er waren ook ‘gespecialiseerde’ kosthuizen die voor opvang in gezinsverband zorgden. Jane Gardam’s Eddie Feathers komt in zo’n gezin terecht, samen met twee nichtjes en nog een andere jongen, de treurige Cumberledge. De kinderen treffen het beroerd, hun ‘moeder’ is Ma Didds die de kinderen zo slecht behandeld dat ze na verloop van tijd plannen smeden om haar met toepassing van zwarte magie te vermoorden. De magie helpt niet, maar door een plotselinge beweging van Eddie maakt Mevrouw Didds een dodelijke smak van de trap. De ware toedracht van de val komt niet uit en Eddie wordt de held van zijn nichtjes, maar voelt op het eind van zijn leven toch de sterke behoefte om te biecht te gaan bij een priester over deze moord.

Als Eddie zijn Betty ten huwelijk vraagt, in Hong Kong, doet hij dat onder één conditie: ze mag hem nooit verlaten. De voorwaarde slaat direct terug op zijn achtergrond als ‘wees’, zoals hij zijn aanstaande bruid uitlegt (in deel 2 van de trilogie over Old Filth: The Man in the Wooden Hat). Hij zegt:

Elisabeth, you must never leave me. That’s the condition. I’ve been left all my life. From being a baby, I’ve been taken away from people. Raj orphan and so on. Not that I’m unusual there. And it’s supposed to have given us all backbone.

Hij legt uit dat hun ouders allemaal hebben geleden aan een ideologische verdwazing. They believed it was good for us to be sent Home, while they went on with ruling the Empire. We were all damaged even though we became endurers. Het heeft me niet te gronde gericht, concludeert Eddie, maar het heeft me bloody unsure gemaakt.

Well, I know all that, reageert Betty. I am an orphan too. My parents suffered.

 


Jane Gardam, chroniquer van de wezen

Gardam heeft zich laten inspireren door Rudyard Kipling, misschien wel de bekendste ‘wees van het wereldrijk’ aller tijden. Hij werd, zoals het hoorde, met zijn jongere zusje Trix op zesjarige leeftijd, in 1871, naar een kostadres gebracht: dat van de familie Holloway in Southsea (Wales). Vader Holloway was een jaar of zestig, zijn echtgenote een stuk jonger; ze hadden een zoontje dat weer een paar jaar ouder was dan Rudyard. Het verblijf duurde ruim vijf jaar en het was hel en verdoemenis, met name voor Rudyard. Een jaar of tien na deze ervaring schreef hij het van zich af in een kort verhaal: Baa Baa, Black Sheep (gepubliceerd in 1888) waarin hij zichzelf Punch noemt en zijn zusje Judy. Mevrouw Holloway wil aangesproken worden als Aunty Rose (die naam wordt door Gardam in Old Filth gebruikt bij een het verhaal van een ander ‘weeskind’: de moeder van Eddie’s boezemvriend Pat Ingoldby). Ze is streng gelovig en vat vanaf het prille begin een peilloze haat op tegen Punch die ze beschuldigd van luiheid en achterbaksheid, ijverig ondersteund door haar eigen zoon Harry die alles in het werk stelt om Punch zo zwart mogelijk te maken… het ‘zwarte schaap’ uit de titel. Ook Punch loopt rond met moordplannen, maar verder dan fantasieën komt het niet. Een toevallig bezoek van een familielid maakte een eind aan de kwelling: het bleek dat Rudyard ernstige lichamelijk klachten had, hij dreigde zelfs blind te worden. (Gardam laat Eddie als gevolg van zijn verblijf bij Mevrouw Didds stotteren—een iets mildere aandoening.) De ouders werden gewaarschuwd en moeder Kipling kwam uit Bombay om haar kinderen op te halen. Rudyard heeft tot het eind van zijn leven geleden onder zijn jeugd in Home, het vaderland.

 


Vlak voor het vertrek naar Huis.

Het was voor de kinderen traumatisch dat vader en moeder Kipling niet de moeite hebben genomen om hun fatsoenlijk in te lichten over wat hen te wachten stond toen ze werden afgeleverd bij de Holloways. Was het te pijnlijk? Ze vertrokken, de kinderen in de waan latend dat ze de volgende dag weer terug zouden komen. Het is net zo onduidelijk waarom de kinderen niet bij de familie van Kipling zelf of die van zijn echtgenote zijn ondergebracht: beide families waren groot genoeg, welgesteld en hadden kinderen in de leeftijd van Rudyard en Trix die dol op elkaar waren. Sommige biografen, onder wie David Gilmour, veronderstellen dat ze misschien bang waren dat de kinderen zich zouden hechten aan broers of zusters… een kwestie van jaloezie? De ‘wezen van het wereldrijk’ vormden een institutie die uiteindelijk werd ingegeven door racisme, superioriteitsgevoelens, standsbesef, arrogantie, smetangst. Generaties ouders en kinderen hebben er zwaar onder geleden, de wonden zijn vrijwel nooit meer geheeld. De omstandigheden zijn inmiddels ingrijpend veranderd, maar de grondhouding is vrijwel onaangetast. Jane Gardam heeft deze instelling op een fraaie manier onder het stof vandaan gehaald.

 

illustraties:
Rudyard Kipling als jochie; bron: allposters.com.au
Jane Gardam; bron: independent.co.uk
Jane Gardam cartoon; bron: newyorker.com
jongen op paard: bron: lib.liu.edu
kind op pony; bron: David Gilmour, The British in India. Allen Lane, zonder plaats, 2018.

 

 

 

 

By |2018-12-18T14:57:26+00:00maandag 17 december 2018|Categories: Blog|Tags: , , , , , |Reacties uitgeschakeld voor Wezen van het Wereldrijk