Ruim een maand geleden schreef NRC-columnist Bernard Hulsman in het zaterdagse/zondagse Amsterdamskatern van zijn krant over het Wilde Wonen (5, 6 oktober, 2019), speciaal in Amsterdam. Nou ja, vanwege het katern natuurlijk, hij verving de vaste columnist Auke Kok en je moet toch wat. Je zou kunnen denken dat hij zich richtte op de grachtengordel, een klassiek voorbeeld van ‘wild wonen’, maar dat was niet het geval. Hij bedoelde het wilde wonen uit het evangelie van de architect Carel Weeber. Deze bepleitte in de jaren negentig een omslag in de woningbouw. Liberalisering was zijn boodschap—hij had het tij mee—de woningbouw moest worden bevrijd uit de klauwen van overheid, woningbouwverenigingen en projectontwikkelaars; iedereen zou recht hebben op een eigen kavel waarop zijn eigen huis volgens eigen inzichten gebouwd werd. Daarbij kon je een architect inschakelen als je het noodzakelijk vond, maar semioverheidsinstellingen als schoonheids- of welstandscommissies dienden zich nergens meer mee te bemoeien.

 


Woest wonen in Amersfoort

Weeber lanceerde zijn opvattingen in 1997 toen in het kader van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra van hogerhand was vastgesteld dat er in Nederland binnen tien jaar 1 miljoen woningen gebouwd zouden moeten worden. Dat leidde alom tot gefronste wenkbrauwen, maar niet bij Carel Weeber. In een interview—met diezelfde Bernard Hulsman—in de NRC rekende hij voor dat dit aantal met gemak gerealiseerd zou kunnen worden. Van de 34.000 vierkante kilometer land waaruit Nederland bestaat is niet meer dan 10 procent bebouwd, 3400 vierkante kilometer dus, zegt Weeber tegen de journalist. Hij berekent dat je voor dat miljoen ongeveer 0,7 procent van het oppervlak van Nederland nodig hebt. Je zou zelfs in een lagere dichtheid kunnen bouwen: geen 40 maar 25 woningen per hectare, zodat de toekomstige bewoners allemaal een losstaand huis met een tuin eromheen kunnen hebben. Zo wil de Nederlander het liefst wonen, blijkt uit enquêtes.

 


Zo wil de Nederlander wonen (Carel Weeber)

De journalist—Bernard Hulsman dus—legt Weeber dc vraag voor of gewone mensen wel in staat zijn hun eigen woningen te realiseren. Geen overbodige vraag aan de architect van de Zwarte Madonna in Den Haag, met afstand het lelijkste en afstotelijkste gebouw ooit in Nederland neergezet. Weeber geeft geen duidelijk antwoord, Hulsman laat hem ermee wegkomen. Van architectuur hebben leken geen verstand, zegt hij. Maar als ze hun woningen volgens hun eigen wensen mogen bouwen, krijgen ze natuurlijk vanzelf verstand van hun eigen architectuur, net zo als ze nu ook verstand hebben van klussen. Tja, zo lusten we nog wel meer.

 


Verstand van eigen architectuur

Hulsman schrijft ruim twintig jaar later in zijn column dat het ideaal van Weeber niet is bereikt, zeker niet in Amsterdam. Dat licht hij toe aan de hand van het ‘Wilde Wonenwijkje’ in het Amstelkwartier. Van de twintig zelfbouwhuizen in de Solitudolaan (die naam bestaat écht) zijn er 17 die in het gelid staan: allemaal keurige blokkendozen met platte daken in de cultureel correcte retro-modernistische stijl, aldus Hulsman in zijn beste architectuurcreools. Zijn bezwaar, als het tenminste zo bedoeld is, geldt de monotonie. De achterliggende, onuitgesproken gedachte is blijkbaar dat ‘zelfbouw’ per definitie tot een grote mate van diversiteit zou leiden. De Solitudolaan vormt een treurig buurtje. De huizen zijn groot, maar ze staan op een piepklein kavel, waardoor ze tuintjes hebben die niet groter zijn dan die van een traditioneel rijtjeshuis en die stukjes grond zijn bovendien grotendeels opgeofferd aan parkeerruimte voor de dure auto’s van de bewoners. De binnenstraatjes zijn afgeschermd met bordjes ‘verboden toegang’, met als resultaat private rijkdom in samenhang met publieke armoede.

 


Publieke armoede

Ik kan die ‘publieke armoede’ goed navoelen. Jaren geleden maakte ik een reportage over een wijk in Almere waar ik struikelde over de bordjes ‘verboden toegang’. Die bordjes zijn in veel wijken niet eens nodig omdat de woningen met hoge schuttingen zijn afgeschermd. Misschien omdat de bewoners niet geconfronteerd willen worden met de persoonlijke smaak van de buren. De meeste Vinexwijken zijn overigens volstrekt niet afgestemd op stedelijk verkeer, op tal van plekken ontbreken trottoirs en overal word je met de neus gedrukt op het karakter van de wijk: een plek voor forensen die ’s ochtends met de auto vertrekken en ’s avonds weer terugkeren. Zelden of nooit winkels in de buurt, geen werkgelegenheid, geen of gebrekkig openbaar vervoer. De opmerking van Hulsman dat de zelfbouwwijken geen ‘betere stad’ vormen, heeft een veel algemenere strekking en is niet typerend voor Amsterdam maar voor Vinexwijken in het algemeen. In de meeste wijken zie je—ook symbolisch—een duidelijke ambivalentie tegenover de stad en het stadsleven. En vooral een nadruk op het genot van buiten wonen, water, de natuur, juist weg van de stad. Straatnamen zijn vernoemd naar bloemen, vogels, zoogdieren, landschappen. Juist in Amsterdam is dat minder,  jammer dat Hulsman dit overslaat. Op IJburg vormen de zelfbouwhuizen soms een fraaie stedelijke straat, zonder bordjes verboden toegang. Ik vind het een genoegen om daar te zijn en die eindeloze afwisseling te beleven, zoals ik het ook aangenaam vind om door de grachtengordel te lopen en de eenheid in verscheidenheid op me af te laten komen.

 


Stedelijke straat IJburg (Amsterdam)

Hulsman noemt het Wilde Wonen in Amsterdam een dubbel fiasco. Wat hij precies bedoelt, weet ik niet. Inderdaad heeft het zelfbouwen niet geleid tot de opleving van de woningbouw, maar dat geldt niet alleen voor deze stad, maar voor Nederland als geheel. Wat is het andere fiasco? De eenvormigheid? Dat valt volgens mij nog best mee. En bovendien: als je vindt dat mensen hun eigen woning moeten bouwen, krijg je per definitie een zekere mate van eenvormigheid. Een notarishuis uit de jaren dertig staat een liefhebber van postmoderne architectuur ongetwijfeld ernstig tegen, maar voor veel mensen is het een langgekoesterd ideaal, een kasteel.

 


Mijn huis, mijn kasteel (Zuidlaren)

illustraties:
al het fotomateriaal is van Lodewijk Brunt (copyright)