Back in Time for Brixton is de titel van een door Geoff Small geregisseerde documentaire die onlangs in twee delen door de BBC werd uitgezonden. Misschien moet je zeggen: semidocumentaire. Een groepje vrijwilligers gaat ‘terug in de tijd’ om zich te verdiepen in de belevenissen van hun ouders en grootouders die vlak na de Tweede Wereldoorlog uit Jamaica naar Londen kwamen. De omstandigheden uit die dagen zijn zo getrouw mogelijk nagebootst—alles onder supervisie van sociaal historica Emma Dabiri, auteur van Don’t Touch My Hair, waarin ze uitlegt hoe sociaal gevoelig kroeshaar is in de verhoudingen tussen etnische groepen in het Verenigd Koninkrijk.

Hoezo Brixton? De documentaire heeft als thema how the Caribbean immigration changed the way we all live in the UK, en de eerste uitspraak van de presentator luidt: It all started in one London suburb. Brixton, dus. In de jaren 1970 berucht vanwege een van de felste rassenrellen die zich ooit in het VK hebben afgespeeld. Vlak na de oorlog een geteisterd gebied, zwaar gebombardeerd, volstrekt verloederd en verkrot. Typisch een buurt waar je bevolkingsgroepen naartoe dirigeert die je nergens anders wilt hebben.

Dat gold in sterke mate voor de immigranten uit het Caribisch gebied, zoals Jamaica, Trinidad and Tobago, Cayman Islands, Barbados, Guyana, Dominica, Grenada, Bermuda. De Britse overheid zag met angst en beven dat het oude Britse koloniale rijk bezig was ineen te storten toen in 1947 India en Pakistan onafhankelijk werden. Om greep te houden op het imperium (omgedoopt tot de Commonwealth) werd bepaald dat alle onderdanen van de Britse koloniën in principe Brits onderdaan waren. Ongeveer een kwart van de wereldbevolking had het recht om in het VK te wonen, werken en leven … without any restriction. In de documentaire wordt daarbij opgemerkt: all you had to do was get there. De wetgever had er overigens geen rekening mee gehouden dat dit niet alleen gold voor alle (autochtone) Britse ondernemers, ambtenaren, onderwijzers, zendelingen, politiefunctionarissen, gepensioneerden uit de koloniën, maar ook voor het ‘gewone volk’, dikwijls slecht opgeleide nakomelingen van slaven en koelies; mensen ‘van kleur’, zoals het eufemistisch werd uitgedrukt.

 


Voet aan wal in het moederland

De eerste lichting die wist how to get there was afkomstig uit Jamaica. Het bekende troepenschip HMS Empire Windrush (een voormalig Duits cruise schip voor pleziervaarten van Nazi-partijbonzen) haalde in 1948 achtergebleven militairen op om zich te kunnen  melden bij hun legeronderdelen. Er was nog veel ruimte over en voor een habbekrats (ongeveer 28 pond) kon je op het troependek een plaatsje krijgen. Bijna vijfhonderd, voornamelijk jonge, mannen boekten een plek en kwamen met hun armzalige koffertjes aan in het moederland. Gezinnen hadden hun kleine kinderen achtergelaten. Iedereen was op zoek naar werk, de werkloosheid op Jamaica was nijpend. Een man die werd geïnterviewd toen hij van boord kwam, zei: ik wil werk, kan niet schelen wat, als het maar betaalt.

De overheid was totaal onvoorbereid, waar moesten al die mensen naartoe? Hoe kregen ze te eten? Hoe kwamen ze aan werk? Niemand had er over nagedacht. Eén Londense ambtenaar kreeg een lumineus idee: bij het Underground Station van Clapham stonden nog bunkers uit de oorlog. Tijdens de bombardementen kon je daar schuilen. De Jamaicanen werden naar die plek overgebracht. Je moest een trap af van bijna 200 treden en kwam in smalle, benauwde gangen terecht waar stapelbedden stonden. Overal stonden emmers bij wijze van toilet, de ruimte trilde van de herrie als er een ondergrondse trein langsdenderde. Sommige mensen hebben daar vier weken of langer moeten doorbrengen. Voedsel werd verstrekt door vrijwilligers, bij de ingang van de bunker werden tenten opgezet met lange eettafels en banken. In de documentaire kun je zien hoe de maaltijden eruit zagen: doperwten, vette gebakken aardappelen, een miniem stukje vlees; weinig voedzaam en totaal smakeloos.

 


Onderdak in de schuilkelder

Zoals het vaak gaat met immigranten: ze zijn ervan overtuigd dat ze maar een paar jaar zullen blijven en ze willen zo snel mogelijk weer terug, zeggen ze, maar in de praktijk doet bijna niemand dat en hun aantal groeit dus gestaag, de achtergebleven kinderen en familieleden voegen zich bij hun en na verloop van tijd ook oude buren, vrienden, collega’s. De vijfhonderd pioniers uit 1948 worden door vele duizenden gevolgd. In 1951 hebben zich bijna 45.000 mensen uit de Commonwealth aangemeld, tien jaar later al ruim meer dan 100.000. De Britse economie trekt aan en er is hier en daar een schreeuwend gebrek aan arbeidskrachten, verschillende bedrijven werven actief personeel in het Caribisch gebied: de bekendste voorbeelden zijn de conducteurs voor de dubbeldekkerbussen van London Transport (in tegenstelling tot Bristol Transport waar juist geen zwarte arbeidskrachten worden aangenomen), onderhoudsmonteurs en schoonmakers voor de Britse spoorwegen en verpleegsters voor de ziekenhuizen van de National Health Service. Ook bij zulke bedrijven is het werk overigens dikwijls zwaar en slecht betaald. Zwarte verpleegsters mogen bij voorkeur steken met uitwerpselen en urine schoonmaken en worden ingezet in onaangename nachtdiensten. Velen moeten bijbaantjes nemen om een beetje rond te komen.

Deze hele episode uit de Britse geschiedenis is op een evocatieve manier samengebald in de roman van de eerder dit jaar overleden Jamaicaanse schrijfster Andrea Levy: Small Island. Aan de hand van een paar personages krijg je de vroegste geschiedenis van de Windrush Generation opgediend. Hortense en Gilbert vertegenwoordigen Jamaica, Queenie en Bernard zijn hun Londense tegenspelers. Het voedsel, de treurige huisvesting, het racisme, het gebrek aan fatsoenlijk werk passeren de revue, fraai verpakt in levensechte anekdotes, duidelijk ontleend aan familiegeschiedenissen; Levy was zelf kind van Jamaicaanse ouders. En vooral ook de tegenstelling tussen het moederland en de kolonie. Hortense die op school in Jamaica alle uithoeken van de Britse geografie heeft moeten leren: alle kanalen, alle spoorwegen, autowegen, havens en dokken, alles op het gebied van de regering, de belangrijke wetten. Ask any of us West Indians where in Britain are ships built, where is cotton woven, steel forged, cars made, jam boiled, cups shaped, lace knotted, glass blown, tin mined, whisky distilled? Ask. And sit back and learn your lesson. Geen enkele Brit daarentegen weet waar Jamaica ligt (Afrika? ergens?) of toont zelfs de minste belangstelling voor de achtergrond van de immigranten.

Vanaf het begin van de jaren zestig hebben achtereenvolgende Britse regeringen geprobeerd om de bestaande wetgeving aan te passen: ‘echte’ Britten konden zich onbeperkt en onbelemmerd in de VK blijven vestigen, maar zwarte immigranten moesten in toenemende mate aan allerlei voorwaarden voldoen. Het dieptepunt in dit proces vond plaats toen Theresa May, als Minister van Binnenlandse Zaken onder David Cameron, haar Hostile Environment proclameerde: iedere immigrant zonder de juiste papieren zou het VK onmiddellijk moeten verlaten. En dat gold óók voor de leden van de Windrush Generation en hun nakomelingen, die in goed vertrouwen naar het VK, hun moederland, waren gekomen. Onder West-Indische immigranten geldt May, vanwege het Windrush Scandal, als de baarlijke duivelin. Haar schandelijke onverschilligheid na de brand in de Grenfell Tower onderstreepte nog eens haar visie op het VK: een eiland dat blank moet blijven, van alle smetten vrij.

 


De proclamatie van Theresa May… rot op

Haar geblunder met Brexit zal snel vergeten zijn, haar opvolger zal het hooguit nóg beroerder doen, maar deze smet zal op haar graf gebeiteld worden.

 

illustraties
Andrea Levy; bron: independent.co.uk
De opschriften van May; bron: labourlist.org
Aankomst met de Windrush; bron: standard.co.uk
Het leven in de bunker; bron: bbc.co.uk