Je moet tegen je verlies kunnen, je moet met tegenslagen kunnen omgaan. Het is de centrale taak van iedere opvoeder en bepaald niet de makkelijkste. Van kleine kinderen, nog nauwelijks gesocialiseerd, herinner ik me levendig hoe moeilijk het soms is om een spelletje met ze te spelen. Bij verlies zijn ze in staat het bord en de pionnen door de hele kamer te gooien en jou als winnaar uit te schelden voor alles wat lelijk is. Ze willen nooit meer met je spelen en als ze het toch doen, proberen ze door vals te spelen hun revanche te halen. Kalmerende woorden als ‘het is maar een spelletje’ hebben geen uitwerking — daar is jaren geduld voor nodig en af en toe ontmoet je volwassenen die dit stadium van berusting nog bij lange na niet hebben bereikt. ‘Tegen je verlies kunnen’ is op zichzelf een onderdeel van een compleet opvoedingsoffensief dat gericht is op de beheersing van emoties en lichamelijke uitspattingen. Althans in burgerlijke kringen, want buiten de middenklasse bestaan hierover, of over afzonderlijke onderdelen, dikwijls radicaal andere inzichten.

 

politicus

 

 

 

 

 

 

Toen ik op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen (19 maart 2014) af en toe even naar de Nederlandse publieke omroep omschakelde om te zien hoe het met de voorlopige en definitieve prognoses stond, viel me op dat de Nederlandse politici hun lesjes goed hadden geleerd. De leider van de PvdA, die nog na stond te duizelen van de geweldige klap die zijn partij had moeten incasseren, richtte zich tot een gezelschap van getrouwen en zei dat hij ‘baalde’ van het verlies. Dat klonk nogal ongekunsteld — volgens mijn woordenboek betekent het dat hij van de uitslag walgde, ervan moest kotsen. Maar hij maakte het snel goed door uitdrukkelijk zijn felicitaties uit te spreken aan het adres van de winnaars. De andere verliezers, van de VVD en het CDA, sloofden zich eveneens uit om zulke gelukwensen over te brengen. Goede verliezers! Vader en moeder kunnen tevreden zijn.

Maar juist omdat het allemaal als een lesje klonk, geloofde ik niet dat het menens was. Je zou als tv-kijker graag getuige willen zijn van wat zich achter de schermen afspeelt. Ik denk: gevloek en getier, stukgooien van glazen en kopjes, afranselen van medewerkers, verschrikkelijke scheldpartijen. Als je écht wilt weten wat er met gefrustreerde volwassenen gebeurt, moet je af en toe eens naar een voetbalwedstrijd kijken. Het was de afgelopen weken weer veelvuldig raak: een speler die van de scheidsrechter een rode kaart krijgt, van het veld gestuurd wordt en op zijn weg naar de kleedkamers camera’s, kamerschermen, ramen en muren vernielt en tenslotte de hele kleedkamer onherkenbaar verbouwt. Dat komt allemaal op tv. Speciaal vermaak voor de bourgeoisie? How the other half lives. Politici hebben helaas de macht om zich tegen zulke onthullende en ontluisterende beelden te beschermen.

Op verkiezingsavonden krijgen we alleen de frontstage in beeld, niet de backstage. De termen zijn afkomstig uit het onvolprezen oeuvre van socioloog/antropoloog Erving Goffman. In zijn hoofdwerk The Presentation of Self in Everyday Life uit 1959, hanteert hij een theatrisch model voor het sociale leven: hij ziet ons als ‘performers’ die bezig zijn onze omgeving bepaalde indrukken voor te schotelen. Impression Management. Voor de camera moet ons haar goed zitten, onze das recht, de roos is van onze schouders geklopt, de lelijke putten in onze wangen zijn weggeplamuurd. Zodra het rode lichtje brandt, verschijnt de innemende glimlach op het gelaat en presenteren we ons als het prettigste en vertrouwenwekkendste gezelschap dat je je maar wensen kunt. Slim, scherp, solide en buitengewoon beschaafd.

 

 

 

 

 

 

We zorgen ervoor dat niemand ziet — misschien op een paar vertrouwelingen na — hoe deze presentatie tot stand komt: dat is het achtertoneel, de toegang is geblokkeerd met sloten en bewakers. Daar bevinden zich de hulpstukken en de hulpmiddelen, daar worden de trucs in elkaar gezet die straks op het toneel vertoond gaan worden. Daar wordt ook het masker afgegooid na afloop van de voorstelling, daar vloeien tranen, daar worden frustraties afgereageerd.

Na afloop van de verkiezingen kreeg de tv-kijker herhaaldelijk te horen dat hij getuige was geweest van ‘historische’ uitslagen, dat de hele verkiezingsdag ‘historisch’ was geweest. Ik wil dat graag geloven, mijn kennis van de politieke geschiedenis is beperkt en ik laat me daarom graag informeren door de deskundigen. Maar wat me iedere keer weer opvalt is dat niemand ooit belangstelling heeft voor de sociologische betekenis: de spanningsverhouding tussen wat we te zien krijgen en niet te zien krijgen. Uiteindelijk is dat wat er écht toe doet.