In het Sportkatern van NRC Handelsblad (24, 25 mei 2014) stond een uitvoerige voorbeschouwing van de voetbalwedstrijd in de finale van de Champions League tussen de twee grote Madrileense clubs Atlético en Real. De kleur wit komt een stuk of tien keer voor in de beschouwing. De aandacht gaat exclusief uit naar Real Madrid en die spelen in het wit – vandaar. De spelers van Real stonden eind jaren vijftig bekend als de ‘witte engelen’ die een ‘onaards’ en ‘bovenmenselijk’ soort voetbal speelden en die de Europa Cup jaren achter elkaar wonnen. Ik kan het me nog vaag herinneren – spelers als de Hongaar Puskás, de Argentijn Di Stefano of de Fransman Kopa: bijna mythische figuren waartegen je al verloren had als ze het veld opkwamen. ‘Wit staat voor zuiverheid en reinheid’, schrijft de verslaggever. Hij gebruikt ook het begrip ‘witte magie’ en uit de context maak ik op dat hij er soort toverkracht mee bedoelt, een positieve uitstraling die mensen in trance brengt. Toemaar! Wat voetbal al niet teweeg kan brengen.

 

Zodra het over wit gaat spits ik mijn oren, maar dat heeft niet met voetballen te maken: ik associeer de kleur altijd met het boek dat lang mijn lievelingsboek is geweest, misschien nog steeds wel. Moby Dick or The Whale, voor het eerste gepubliceerd in 1851: het indrukwekkende verslag van de wilde jacht op een witte walvis over de wereldzeeën. Het verhaal eindigt in een scheepsramp met maar één overlevende, verteller Ishmael. Schrijver Herman Melville heeft zelf gevaren en kende de walvisvaart van New England op z’n duimpje. De walvisjager is kapitein Ahab, hij wordt voortgedreven door wraak want de walvis heeft hem ooit een been afgebeten. Daar heeft hij nu een kunstbeen voor terug, gebeeldhouwd uit de onderkaak van een andere walvis. Op het dek van het schip is een speciale klem aangebracht waarin de kapitein zijn kunstbeen kan laten rusten als hij urenlang over een onrustige zee staat uit te kijken naar het witte monster. Als hij ’s nachts rusteloos over het dek heen en weer loopt, horen de zeelieden die benedendeks slapen het lugubere getik van het ivoren been. Ishmael krijgt er de rillingen van. ‘Hier heb je dan deze grijze, goddeloze oude man’, peinst hij, ‘die vloekend en tierend een grote walvis over de hele wereld achternazit, aan het hoofd van een bemanning die ook al is samengesteld uit voortvluchtige bastaarden, verworpenen der aarde en kannibalen’.

De kapitein haat Moby Dick en gruwt van zijn witte kleur. Ishmael weet eigenlijk niet goed wat hij ervan moet denken – anders dan zijn kapitein kent hij de walvis alleen maar van horen zeggen. Het schitterende hoofdstuk 42 is gewijd aan de ‘witheid van de walvis’. Het wit vervult de scheepsjongen met schrik, maar hij heeft ook allerlei andere associaties met deze kleur. Net als bij de schrijver over Real Madrid, roept het wit positieve gevoelens op bij Ishmael. Witheid draagt bij aan schoonheid, meent hij, dat zie je overal in de natuur. Marmer, bij voorbeeld, parels of camelia’s; nationale staten hebben soms de kleur gekozen vanwege haar koninklijke uitstraling, zoals Siam, waar de witte olifant een speciale positie inneemt, of het keizerlijke Oostenrijk — als het daarover gaat herinner ik me de korte passage uit Radetzky Mars van de Oostenrijkse schrijver Joseph Roth over bediende Jacques: hij kwam de kamer binnen met witte handschoenen aan die hem geheel en al leken te veranderen. Zij wierpen een sneeuwwitte glans op zijn toch al witte gezicht, zijn toch al witte bakkebaarden, zijn toch al witte haren. Ze overtroffen in witheid alles wat op deze wereld wit genoemd kon worden.

Melville gooit er via zijn verteller nog een racistisch opmerking tussendoor: in de mensheid zie je dat de witte man leiding geeft aan alle donkergekleurde volken. Witheid staat voor geluk in het oude Rome, voor onschuld (de bruid in het wit), ouderdom, eer, rechtvaardigheid, goddelijke macht – de witte stier als incarnatie van de grote godheid.

 

Maar – en het is jammer dat de sportverslaggever dat bij zijn typering van Real Madrid volstrekt over het hoofd zag – wit verhoogt ook de angstaanjagendheid en afschrikwekkendheid van boosaardige gestalten. Denk aan de ijsbeer en de witte haai, vervolgt Ishmael: ‘wat anders dan hun gladde, schilferachtige witheid maakt ze zo verschrikkelijk?’ De vurige tijgerklauwen in hun gestreepte vel zijn minder gruwelijk dan de witte vacht van de ijsbeer. Ook de albino vervult ons met afschuw en ontzetting. ‘The Albino is as well made as other men – has no substantive deformity – and yet this mere aspect of all-pervading whiteness makes him more strangely hideous than the ugliest abortion’.

Het is duidelijk: de witheid van Real Madrid brengt de fans tot vertedering en trots, misschien zelfs tot zuivere, onbaatzuchtige en onschuldige liefde, maar tegelijkertijd wekt het angst en haat bij de tegenstanders. Atlético heeft het dit weekend opnieuw ondervonden: nadat ze lang op voorsprong stonden, werden ze op het eind van de wedstrijd door het witte gevaar onder de voet gelopen; de witte engelen bleken witte monsters te zijn, zonder mededogen.

 

Melville laat ons aan de hand van wit de ambivalentie van de menselijke waarneming zien. Binnenkort verschijnt het nieuwe boek van de Britse keramist Edmund de Waal. Na zijn magistrale The Hare with Amber Eyes heeft hij aan de hand van de geschiedenis van Chinees porselein een studie gemaakt van wit. De kleur wit. Je kunt er bijna niet op wachten.