Natuurkundigen hebben de voetganger ontdekt, zo begreep ik uit een klein berichtje in de krant (NRC Handelsblad 18 december 2018). De verslaggever verwijst naar het decembernummer van Physical Review E, een toonaangevend Amerikaans tijdschrift dat gaat over statistical, nonlinear, biological, and soft matter physics, zoals de redactie zich aanprijst. Ik heb het opgezocht, want het stukje uit de krant bracht me niet veel verder. Wat de verslaggever vooral was opgevallen is de 75 centimeter die voetgangers in acht zouden houden als ze elkaar passeren: die afstand komt niet alleen in de kop van het stukje voor, maar wordt ook in de tekst diverse keren genoemd. Het klinkt nogal, hmm, exact… het zal de natuurkundige inslag wel zijn.

Diverse onderzoekers hebben aan de hand van de modernste registratiemethoden ‘miljoenen bewegingen’ gemeten in drukke stationshallen en gangen. Onder al die miljoenen waren er slechts 9000, aldus de verslaggever, waarbij de betrokken voetgangers tegenover elkaar kwamen te staan met risico om tegen elkaar aan te botsen en daarvan zouden er in slechts veertig gevallen ook daadwerkelijk botsingen hebben plaatsgevonden. Verwaarloosbaar, dus. De verslaggever heeft gebeld met een van de onderzoekers, professor Frederico Toschi. Hij zei dat je mensen moet zien als atomen in een gaswolk, maar met een klein verschil, want mensen vormen actieve materie, ze kunnen zelf hun richting en snelheid bepalen. Maar blijkbaar toch niet de onderlinge afstand, want als ik het goed begrepen heb, blijft die altijd minimaal 75 centimeter, onder welke omstandigheden dan ook.

Ach, het is even wennen aan het jargon. Dat is nog sterker als je de artikelen uit de Physical Review E erbij pakt. The model that we propose here features a Langevin dynamics with fast random velocity fluctuations that are superimposed on the slow dynamics of a hidden model variable: the intended walking path. In the case of interactions, social forces may act both on the intended path and on the actual walked path. Als je niet beter wist, zou het inderdaad over atomen in een gaswolk kunnen gaan in plaats van over ‘actieve materie’: mensen van vlees en bloed die zelf hun lot bepalen.

 


Is de afstand wel 75 centimeter?

Vanuit mijn eigen vak ben ik vanzelfsprekend geïnteresseerd in het gedrag van voetgangers, maar ik herken weinig in het abstracte verhaal van de natuurkundigen. De gewone ervaring leert al anders. Als ik mijn huis uitkom om even om de hoek een boodschap te doen, word ik in vele gevallen van het trottoir gedrukt door horden toeristen. Eén of twee tegenliggers kun je meestal nog wel aan, maar als mensen in groepen lopen, zijn ze naar binnen gekeerd en gedragen ze zich als een soort stoomwals die alles op zijn pad plet. Drie, vier naast elkaar, geen enkele aandacht voor de omgeving, alleen voor elkaar. Vermoedelijk is zo’n situatie te machtig voor een natuurkundig model en zo kun je wel honderd situaties opnoemen die niet gecoverd worden als je alleen belangstelling hebt voor gekrioel in een stationshal of gang.

Individuele voetgangers hebben een schier eindeloze capaciteit om zich aan te passen aan sterk wisselende omstandigheden. Om een botsing te vermijden, heb je verschillende partijen nodig die op een subtiele manier samenwerken. Van enige afstand, laten we zeggen zo’n meter of zes, zeven, kijk je elkaar aan en daarmee laat je weten dat je elkaar hebt gezien, als je dichterbij komt sla je de ogen neer en passeer je elkaar zonder ongeluk. Dat speelt zich af in een flits, we zijn ons er niet of nauwelijks van bewust, het is een ‘tweede natuur’. Je geeft je richting aan door te kijken, waardoor anderen kunnen zien wat je van plan bent. Het is allemaal subtiel en elegant want, inderdaad, botsingen komen zelden voor.

In drukke stationshallen of soortgelijke situaties, loop je niet als een schaduw achter iemand anders aan, want dat leidt onherroepelijk tot onaangename aanrakingen. Je hebt ook zelf een soort speciaal zintuig voor mensen die vlak achter je lopen: je draait je om en laat je irritatie blijken—in de supermarkt heb je het al als je een wagentje in je knieholte krijgt gedrukt. De meeste voetgangers lopen juist iets terzijde van een voorganger zodat ze over diens schouder het tegemoetkomende verkeer kunnen zien. Dit is allemaal nog simpel vergeleken bij situaties waarbij je ook tegenliggers van opzij of andere richtingen moet vermijden. Even inhouden bij voorbeeld, een kwestie van splinters van een seconde. Maar al deze alledaagse voorbeelden gaan uit van wederzijdse ‘wellevendheid’, mensen die geneigd zijn rekening met elkaar te houden. Helaas (of gelukkig, afhankelijk van je overtuiging) is de werkelijkheid een stuk minder duidelijk.

 


Jaywalking in Amsterdam

Je komt op straat legio voetgangers tegen die met niets of niemand rekening houden: lallende dronkenlappen, hufters die iedereen opzij duwen, mensen die de doorgang versperren. Ik vrees dat de natuurkundigen dat aspect van de ‘straatcultuur’ niet vinden passen bij hun gaswolk. Hetzelfde geldt voor de fysieke omgeving. De binnenstad van Amsterdam, bij voorbeeld, blinkt niet uit door ruime trottoirs, integendeel, meestal zijn ze net breed genoeg voor één of twee personen. Dat leidt op grote schaal tot het verschijnsel van jaywalking, om het op z’n Amerikaans te zeggen: mensen die op de rijweg stappen om obstakels op het trottoir uit de weg te gaan. En niet-Amsterdammers doen dat doorgaans zonder op- of omkijken, tot ellende van passerende fietsers of auto’s. In sommige Amerikaanse steden worden er jaarlijks handenvol voetgangers op deze manier slachtoffers van aanrijdingen, soms met dodelijke afloop. Hoe dat is in een stad als Amsterdam weet ik niet.

 


Actieve materie in de Amsterdamse binnenstad

Waar de natuurkundigen geen aandacht aan besteden is de snelheid van voetgangers en de mogelijke verschillen in cultuur die daarmee samenhangen. In Westerse maatschappijen zie je dat mensen in steden aanzienlijk sneller lopen dan op het platteland of in provinciestadjes. Je wordt er soms ten overvloede op gewezen door provincialen die af en toe eens een dagje naar de grote stad komen: ‘mensen hebben daar allemaal zo’n haast’, hoor je dan. Ik heb het dikwijls vernomen, in binnen- en buitenland. Iets dergelijks zie je ook in stationshallen, vliegvelden en andere knooppunten: sommige voetgangers nemen de tijd, versperren de roltrappen en doorgangen en lijken wereldvreemde elementen in een gehaaste, rusteloze mensenwolk.

Het gekrioel van voetgangers is een fascinerend verschijnsel, ik kan me voorstellen dat zelfs natuurkundigen daarin geïnteresseerd zijn. Maar wellicht is hun uitgangspunt een doodlopende weg: mensen zijn geen atomen in een gaswolk. Het leven is aanzienlijk ingewikkelder dan een natuurkundig modelletje.

 

illustraties:
Alle foto’s zijn van Lodewijk Brunt (copyright)