Je hoort over mannen wel eens dat ze een womanizer zouden zijn, maar het is niet altijd duidelijk waarop zo’n reputatie is gebaseerd. Vrouwen ‘vallen’ op hem, soms bij bosjes, hij ‘breekt harten’. Het zal wel, wat houdt het in? Heeft het te maken met seks? huwelijkse ontrouw? bedrog? oneerlijke bedoelingen? chantage? Bij Don Giovanni, de womanizer in eigen persoon, is het een combinatie van eigenschappen en omstandigheden. In Mozart’s opera komt in het begin een harde confrontatie voor tussen de hoofdpersoon en Donna Elvira, die onlangs een ‘behandeling’ van de omstreden edelman heeft ondergaan. ‘Don Giovanni!’, roept ze, als ze hem ziet aankomen met zijn bediende Leporello, ‘jij hier, monster, verrader, addergebroed!’. Ze legt uit hoe hij te werk is gegaan: hij drong heimelijk haar huis binnen en op een slimme manier verleidde hij haar met vleierij en beloften; ze werd verliefd op hem, hij noemde haar zijn bruid om vervolgens na een paar dagen spoorloos te verdwijnen, haar achterlatend, ten prooi aan spijt en verdriet, misschien om haar te straffen dat ze zoveel van hem hield – m’abbandoni, mi fuggi, e lasci in preda al rimorso ed al pianto, per pena forse che t’amai cotanto!

Don Giovanni laat het over aan Leporella om tekst en uitleg te verschaffen, hij neemt zelf de benen. Dan volgt de befaamde aria over de ‘lijst’ – de trouwe knecht (tegenwoordig zouden we zeggen personal assistent) heeft in een boekje alle veroveringen van zijn baas bijgehouden: in Italië 640 stuks, in Duitsland 231, in Frankrijk 100, in Turkije 91 – maar in Spanje (waar de handelingen zich afspelen) al 1003. Niet alleen de aantallen, ook de soorten komen aan de orde: boerenmeisjes, hofdames, stadse vrouwen, gravinnen, baronessen, markiezinnen, prinsessen – vrouwen uit alle lagen en standen, van alle leeftijden, met alle soorten uiterlijk: blond, donker, bleek, gevuld, mager, lang, klein. Oudere vrouwen zijn louter bedoeld om de lijst aan te vullen, want zijn grote voorkeur gaat uit naar jonge ‘beginnelingen’ en het kan hem niet schelen of ze rijk of arm zijn, mooi of lelijk… als ze maar een rok dragen. Enfin, ‘… voi sapete quel che fa (U weet wel wat hij uitspookt).

Met vleierijen en valse beloften een vrouw het hoofd op hol brengen, dan vermoedelijk seks en vervolgens wegwezen: dat leid ik eruit af. Is dit wat alle vrouwenverleiders gemeenschappelijk hebben? Het zou eens nader bekeken moeten worden. Gezien die aantallen is het niet verwonderlijk dat zielzorgers in dergelijk ‘versiergedrag’ problematische kanten hebben ontdekt: een womanizer lijkt een dwangmatige psychopaat, die niet gedreven wordt door enige belangstelling voor vrouwen, laat staan sympathie of liefde – vrouwen zijn objecten, nummers die geturfd worden, ‘veroveringen’ — ze komen als prestaties op je conduitestaat terecht en zullen in bepaalde kringen ongetwijfeld bijdragen aan je status. In Don Giovanni komen Donna Elvira en Donna Anna in het geweer om de meesterverleider te gronde te richten – het moet afgelopen zijn! Uiteindelijk verdwijnt hij in de brandende hel. Goedzo!

Wat mij bij dit complex opvalt is dat de aandacht altijd exclusief naar de ‘versierder’ uitgaat – toch kan hij zijn kunsten niet vertonen zonder een sociale omgeving, met name die van zijn ‘slachtoffers’. Leporello heeft er ruim 2000 genoteerd. Zijn al die vrouwen seniel? Nee! De lijst laat juist zien dat het niet alleen onnozele wichtjes zijn die in de boot worden genomen, integendeel: vrouwen uit de stad, markiezinnen, wat al niet. Wat heeft zo’n man te bieden? Een dergelijke vraag komt ook op bij het verschijnsel van de zogenaamde loverboys, als dat al een verschijnsel is, en bij pooiers en vrouwenhandelaars. Het heeft magische trekken, je hebt mannen die blijkbaar in staat zijn alle kritische vermogens en weerstanden bij vrouwen uit te schakelen. Wat breng je daarvoor mee?

De Italiaanse schrijver, dichter en politieke terrorist Gabriele d’Annunzio had zo’n invloed op de beroemde actrice Eleonora Duse – ze vormden hét glamourkoppel van de fin de siècle in Italië. Het grote publiek kon niet genoeg krijgen van dit sprookje – hoewel d’Annunzio getrouwd was en zijn kinderen verwaarloosde. De manier waarop hij Duse behandelde tart iedere beschrijving, het leek of hij uit was op haar totale ondergang. Hij bedroog haar onophoudelijk, pikte haar geld in, schoffeerde haar waar hij maar kon. In de stukken die hij voor haar schreef werd ze blind, verminkt, krankzinnig en vermoord. Wat trok haar zo aan in deze griezel? Zijn biografe Lucy Hughes-Hallett, die er geen twijfel over laat bestaan dat de beroemde schrijver een onooglijk, min mannetje was, suggereert dat de actrice seksueel afhankelijk van hem was – hoewel we daar het fijne niet van weten. Haar hele vriendenkring waarschuwde tegen hem, ze sloeg alle goede raad in de wind.

 

De biografe wijst ook op een ander aspect: tegenover het gruwelijke sadisme van d’Annunzio stond een even grenzeloos masochisme bij Duse, blijkbaar genoot ze ervan steeds geslagen en vernederd te worden. Een folie à deux. Door dit inzicht valt er wel iets op z’n plaats. Niet alles. D’Annunzio schreef geen vrouwenportretten waar je als psychologische speurder iets mee kan, zijn proza en poëzie is extatisch en hysterisch. Misschien dat er in zijn uitvoerige dagboeken meer materiaal staat waar je iets aan zou hebben bij de oplossing van het raadsel van de vrouwengek, hoewel je natuurlijk vooral moet afgaan op wat anderen ervan hebben gezien en meegemaakt.

Ook de Oostenrijkse schrijver Joseph Roth had de reputatie van womanizer. Zijn biograaf Wilhelm Von Sternburg hanteert, denkelijk, een psychoanalytisch perspectief: hij schrijft over de heftige identiteitsproblemen die Roth zou hebben gehad in zijn relaties met vrouwen. Ik weet niet of Roth tot dezelfde aantallen komt als Don Giovanni, maar hij schijnt aardig op weg geweest te zijn. De biograaf stelt impliciet een interessant vraagstuk aan de orde: als je als auteur een vrouwenversierder bent, kun je dan wel aannemelijke vrouwenportretten schrijven? Sternburg meent van niet: de vrouwen in het werk van Roth zijn volgens hem seltsam blass. Het zijn objecten waarop mannelijke lusten worden geprojecteerd, zegt hij, ze krijgen geen eigen identiteit aangemeten.

Sternburg heeft zeker een punt als het gaat over Roth’s beroemdste boek: Radetzkymarsch uit 1932. De jonge luitenant Carl Joseph Von Trotta beleeft twee affaires, de eerste met de vrouw van wachtmeester Slama, die in haar kraambed zal sterven, de tweede met weduwe Von Taussig. Beiden zijn oudere, moederlijke typen, die (misschien) vallen op de jeugd van de luitenant, zijn adellijke titel, wellicht zijn mooie uniform. Als lezer weet je het niet, want beide vrouwen zijn inderdaad volkomen blass, alsof Von Trotta nooit een woord met ze gewisseld heeft. Beiden nemen het initiatief om hem te verleiden, hij is zelf passief en laat het gebeuren.

Mevrouw Slama stak de sigaret weer tussen haar eigen lippen en ging achter Carl Joseph staan. Hij durfde zich niet om te draaien. Opeens lagen haar twee schemerende mouwen om zijn hals, en haar gezicht drukte op zijn haar. Hij verroerde zich niet (…) ‘Kom!’ fluisterde mevrouw Slama.

Mevrouw Von Taussig is van hetzelfde laken een pak, al komen haar contouren iets scherper in beeld.

Ach! Luitenant Trotta kende de vrouwen niet die de ouderdom zien naderen! Hij wist niet dat ze elk geschenk in ontvangst nemen als een tovergave die hen verjongt en dat hun wijze en verlangende ogen heel andere maatstaven aanleggen! Overigens hield Mevrouw Von Taussig van die hulpeloosheid en hoe duidelijker zijn jeugd bleek, hoe jonger zij zelf werd! En daarom vloog ze hem, wijs en onstuimig, om de hals, kuste hem als haar eigen kind (…) ‘Je bent lief, erg lief, mijn jongen!’.

De overige vrouwen in het boek zijn zangeressen, danseressen en hoeren in legerplaatsen – de huishoudster van vader Von Trotta wordt door haar werkgever zó gehaat dat ze in zijn buurt niet eens mag spreken. Moeder, madonna, maagd, hoer.

 

Het eerdere Die Flucht ohne Ende is niet bepaald ‘vrouwvriendelijker’, zoals dat heet. Meedogenloos is het portret van Klara, de schoonzus van hoofdpersoon Franz Tunda.

Klara’s benen waren praktische, rechte benen zonder kuiten, wandelbenen, beslist geen instrumenten van de liefde, maar eerder van de sport. Dat ze in zijden kousen waren gehuld, leek een overgeeflijke luxe. Ergens moeten ze toch knieën hebben, dacht ik altijd, ergens moesten ze overgaan in dijen, het bestaat toch niet dat kousen aan onderbroekjes vastgroeien en daarmee basta?!

De enige vrouw met iets dat op ‘karakter’ lijkt is Natasja, totaal toegewijd aan de revolutie in Oekraïne. Tunda wordt verliefd op haar. Ze beschouwt seks als een onpersoonlijke handeling: die hoort er nu eenmaal bij en daar moet je niet teveel woorden aan vuil maken. Ze geeft Tunda afgepaste uren waarop ze met elkaar vrijen, daarna moet ze weer gauw aan het werk.

Ondanks de opvatting van Sternburg, is het moeilijk te zeggen of womanizers een remming hebben voor de identificatie met vrouwen, juist hun succes in het versieren zou doen vermoeden dat ze scherpe inzichten hebben in de werking van vrouwenbreinen en vrouwengevoelens. Ik heb wat voorbeelden geplukt uit boeken die toevallig op tafel lagen, maar wie weet is dit een onderwerp waar méér in zit. Of is het al volstrekt afgekloven? Ik weet het niet, maar het lijkt me een onderwerp waar je niet onverdeeld vrolijk van wordt.

 

illustraties — Don Giovanni (www.moviemail.com); Joseph Roth (www.diezeitschrift.at); Gabriele d’Annunzio (sevenhits.com)