Hendrik Spiering schreef een paar dagen geleden een stukje in NRC over het ‘in-jezelf-praten’, een onderwerp dat aan actualiteit gewonnen schijnt te hebben in tijden van isolement en quarantaine. Hij vertelt over een lezer die als enige ‘niet-thuiswerker’ op kantoor zat. Het was de man opgevallen dat hij vaak in zichzelf praatte, vooral bij problemen met software. Volgens Spiering hebben eenzame thuiswerkers eveneens die ervaring. Hoe hij aan die wijsheid komt, vertelt hij niet, en over de schaal waarop het verschijnsel zich zou voordoen zegt hij ook geen woord.

In de psychologie wordt het in jezelf praten aangeduid als inner speech: in je hoofd praten. Onderzoekers zouden volgens Spiering met name zijn geïnspireerd door de Russische psycholoog Lev Vygotski, die in het eerste kwart van de twintigste eeuw onderzoek verrichtte bij jonge kinderen. Het viel hem op dat zij dikwijls in zichzelf praatten en hij suggereerde dat ons ‘in jezelf praten’ zou voortkomen uit de verinnerlijking van dat kindergedrag. Pfff, die psychologen toch.

Wat Spiering niet meldt—hij schreef maar een klein stukje om te verstrooien, zonder wetenschappelijke pretenties—is de discussie die plaatsvond tussen Vygotski en zijn Franse collega Jean Piaget, die zich ook met onderzoek bij kinderen bezighield. Daaruit bleek dat je verschillende soorten van inner speech zou kunnen onderscheiden. Piaget sprak van egocentriciteit maar bedoelde daar twee soorten ‘inner speech’ mee: je zegt iets zonder rekening te houden met het perspectief van anderen of je zegt iets in het wilde weg, tegen niemand. Vygotski hield zich voornamelijk met die laatste vorm bezig. Hij selecteerde precies dezelfde soorten kinderen als Piaget, maar hij wierp hindernissen op. Als een kind wilde tekenen, bij voorbeeld, was er opeens geen papier, of potlood of kleurkrijt. Het resultaat was opmerkelijk: het ‘egocentrische spraak coëfficiënt’ van Piaget bij kinderen die vrijuit konden spelen, verdubbelde opeens in de experimenten van Vygotski. Kinderen probeerden de situatie te redden door in zichzelf te praten: Waar is het potlood? Ik heb een blauwe pen nodig! Ach, geeft niet, ik teken wel met de rode pen, en als ik die nat maak, lijkt het toch een beetje op blauw. Je zou dit soort praten zelfpraat kunnen noemen.

 


Laat ze vrijuit spelen.

Wat je mist bij de psychologische benadering is de context. Hoe reageerden de volwassenen/onderzoekers als een kind vergeefs naar pen, kleurkrijt en papier zocht? Zaten ze achter een one-way-screen of liepen ze rond? Ik denk, anders dan de psychologen, dat zelfpraat in de meeste gevallen een reactie is op sociale omstandigheden. Zelfpraat is een vorm van communicatie, net als ‘gewoon’ praten. Als je struikelt of jezelf met een hamer op je vingers slaat, houd je rekening met de omgeving als je vloekt of tiert. Om maar iets te noemen.

De Amerikaanse antropoloog Erving Goffman heeft zich uitvoerig met zelfpraat beziggehouden (Forms of Talk). Hij onderscheidt verschillende gelegenheden of situaties met bijbehorende ‘standaarduitingen’. Zoals de kreten die we slaken in een overgangssituatie: van de warmte in de kou, van het licht naar het donker. Het geluid dat we daarbij maken (‘brrrr‘, ‘aaah’, ‘pfff’) is niet eenvoudig op schrift weer te geven, maar ons gehoor begrijpt onmiddellijk wat we bedoelen. Soms zijn zulke kreten sekse specifiek. ‘O jee’, ‘hemeltje’ kun je horen als je plotseling de greep verliest op een element uit de omgeving, iemand die de verkeerde uitgang neemt, de man die tijdens een barbecue een stuk vlees op de grond laat vallen. We laten de omgeving weten dat we ons bewust waren van onze misstap en dus wel degelijk te vertrouwen zijn in het gewone leven. Ook een situatie van schrik en angst kent zijn eigen kreten en uitingen: ‘help’, ‘getsie’, ‘ieee’, ‘oooh’ kun je horen als er een rat over straat loopt of een muis de kamer binnenkomt. Tenslotte heb je kreten van afschuw: als je een trommel openmaakt waar beschimmelde koekjes inzitten, of een colbertje aantrekt waar de motten uit te voorschijn fladderen. Het laat zien dat je weliswaar met bederf in aanraking komt, maar zelf geen viezerik bent. Het zijn geluiden die iedereen ter beschikking staan en die in het algemeen geuit en begrepen worden.

 


Vormen van zelfpraat.

Je hebt daarnaast geluiden en kreten die speciaal gericht zijn op een gezelschap waar je onderdeel van uitmaakt (we zien bij Goffman ook de subtiele verschillen in egocentrische spraak van Piaget en Vygotski). Het gekreun dat opklinkt bij het optillen van zware gewichten of andere inspanningen: een waarschuwing dat je bezig bent of dat anderen uit de weg moeten. Of de kreten van pijn (‘au’) die de tandarts waarschuwen dat hij in een open zenuw boort. Goffman bespreekt ook het seksuele gekreun. Ik kan de toelichting maar beter aan hem overlaten. This subvocal tracking of the course of sexuallly climactic experience is a display available to both sexes, but said to be increasingly fashionable for females—amongst whom, of course, the sound tracing can be strategically employed to delineate an ideal development in the marked absence of anything like the real thing. Daarnaast heb je de floor cues zoals Goffman ze noemt: kreten die tot doel hebben aandacht te trekken. Manlief zit de krant te lezen en roept ‘grote god’; een gegarandeerde manier om de aandacht van zijn  huisgenoten op te eisen. Ook de duidelijk hoorbare uiting van vreugde is gestandaardiseerde zelfpraat: ‘oooooh, kijk eens’ als in een restaurant een spectaculair toetje wordt gebracht voor de kinderen. Het vreugdegehuil bij het uitpakken van verjaardagscadeautjes, net zoiets.

Zo gezien is zelfspraak veel meer dan een onderdeel van conversaties, het geeft antwoord op de vraag of je in staat bent je verantwoordelijk te gedragen, net als kleding dat is, haardracht, spraak in het algemeen. De geluiden die een zelfprater maakt, zijn in grote lijnen voorgeschreven (maar verschillen soms per cultuur en naar leeftijd en sekse), net als de gelegenheden waarbij het iemand volstrekt wordt toegestaan, misschien zelfs geacht wordt, zelfpraat te bezigen. Tijdens een crisis, bij voorbeeld: iemand krijgt het bericht dat een familielid plotseling is overleden. Of bij een publiek optreden, als de microfoon uitvalt, de spreker zijn papieren laat vallen, een hoestbui krijgt. De techniek is, zoals iedereen weet, feilbaar; hoe vaak komt het niet voor dat er voor de radio verkeerde dingen worden gezegd als de spreker ten onrechte denkt dat de microfoon is uitgeschakeld. Soms kom je in een situatie met een oplettend en betrokken gehoor; als er dan iets onverwachts gebeurt, is zelfpraat toegestaan. Chauffeurs van taxi’s of stadsbussen, tramconducteurs, gidsen komen vaak in gevaarlijke verkeerssituaties terecht en reageren dat af met al dan niet omstandige zelfpraat. Mocht zelfpraat niet mogelijk zijn, bij voorbeeld als er een autoriteit in de buurt is, dan kun je naar min of meer binnensmonds gemopper uitwijken. Zelfpraat kan ons, tenslotte, vaak een ‘houding’ verschaffen als we in verlegenheid gebracht zijn. We willen na concertgebouwbezoek naar huis, maar staan bij de verkeerde fiets of auto. We kloppen op een verkeerde deur, we nemen een koffer van de bagageband die niet van ons is.

Zelfpraat schijnt toe te nemen, Spiering citeert een deskundige die dat beweert. Ik weet het zo net nog niet, over welke vormen van zelfpraat gaat het dan? Dat patronen van zelfpraat veranderen lijkt me plausibel, maar om dat te achterhalen heb je weinig aan psychologen, dunkt me. Het zal vermoedelijk met de intensiteit van het sociale verkeer te maken hebben, de toenemende verstedelijking. Voer voor antropologen en sociologen.

 

illustraties:
Jean Piaget en Erving Goffman; bron: en.wikipedia.org
Lev Zygotski; bron: skolo.org