Frits Abrahams beschrijft het verschijnsel manverbreding in zijn column achterop NRC Handelsblad (22 september 2017). Het is de (voorlopige) vertaling van het Amerikaanse manspreading, gebruikt door Hillary Clinton in een babbelprogramma van CBS. Ter illustratie van wat ze bedoelde, zakte ze onderuit in haar stoel en spreidde haar armen. Het ging erom de houding tegenover haar, tegenover vrouwen in het algemeen wellicht, van de Russische president Vladimir Putin uit te beelden. Volgens Abrahams is het een houding die we allemaal kennen, hij in ieder geval: je zoekt naar een zitplaats in het openbaar vervoer (trein, tram, bus) of op een bankje in het park en je bent gedwongen plaats te nemen naast iemand  die zijn benen zover uit elkaar houdt dat hij anderhalve plaats bezet. Wat te doen om toch te zitten? Om dat te bereiken, zegt de columnist, kunt u met uw been lichte tegendruk uitoefenen of anders rechtstreeks aan hem vragen wat in te schikken. Vervelend, want je weet nooit hoe dat afloopt, vooral in de grote stad met al die lichtgeraakte mensen. Het is volgens Abrahams typisch mannelijk gedrag, maar hij noemt een vrouwelijke variant: de dames houden een plaats bezet met hun tas. Hebben zulke mensen achterliggende motieven om zich zo te gedragen? Abrahams gokt op onbewuste lompheid. Wie zal het zeggen?

Ik ben een groot fan van Frits Abrahams, in zijn columns belicht hij vaker gewone, alledaagse verschijnselen om deze op een lichtironische manier te ‘problematiseren’, een kant te laten zien waar we zelden of nooit bij stil staan. Hij is oplettend en kan geestig schrijven over wat hij ziet en hoort, jammer dat hij de verschijningsfrequentie van zijn column heeft teruggebracht tot drie keer per week. In Abrahams’ krant zijn er de laatste tijd zo langzamerhand meer columnisten dan kolommen, maar het overgrote merendeel heeft helaas niets te melden dat je langer dan een minuut bijblijft. Van zijn niveau bestaan er maar een paar.

Is de wijdbeense man inderdaad een ‘mannenverschijnsel’? Ik weet het zonet nog niet, net zo min als het voor mij vaststaat dat degene die haar spullen om zich heen verspreidt altijd een vrouw is. Ik denk aan het type zakenman dat zijn koffertje naast hem op een zitplaats neerzet en vervolgens zijn laptop te voorschijn haalt. Of krant, natuurlijk, meestal NRC Handelsblad trouwens. Van de vorige dag. Maar ik heb ook allerlei scholierengroepjes op mijn netvlies die zich als een troep spreeuwen over de coupé van een trein verspreiden. Fysieke ruimte is trouwens niet de enige dimensie die er toe doet; sinds de walkman en vooral de mobiele telefoon, wordt het zitcomfort in het openbaar vervoer ook in hoge mate bepaald door geluidsimperialisme. Zou het ooit statistisch zijn onderzocht?

 


Op het August Allebéplein, Amsterdam-West

Ik denk van niet, het gaat om subtiele gedragingen die je doorgaans alleen maar als direct betrokkene kunt waarnemen. De sociologie (of antropologie) die zich met dit soort fenomenen bezighoudt, is niet die van het naïeve tellen en meten. In Nederland staat zulk onderzoek bovendien in laag aanzien. Dat was al zo toen ik nog een enthousiaste student was. Eén van de zware tentamens die we voor het hoofdvak kregen was ‘theorie’ en een onderdeel van de oefenstof moest worden geput uit een vuistdikke Amerikaanse reader waarin programmatische stukken van diverse theoretische stromingen waren opgenomen. Ik voelde me aangetrokken tot het symbolisch interactionisme: een traditie met sterke nadruk op beschrijving van alledaagse situaties en gedragingen, het ‘gewone leven’. De docent keurde mijn keuze ten stelligste af: ik moest me richten op een paar serieuze onderzoekstradities, zoals het structureel-functionalisme, want de auteurs die ik wilde lezen waren niet van niveau. Allemaal onzin, vond hij.

Mensen gaan op allerlei manieren met elkaar om: ze praten, maar ze geven elkaar ook tekens en signalen, al dan niet doelbewust. Behalve om spreektaal draait het daarbij—misschien wel in de eerste plaats—om lichaamstaal: manieren van staan, bewegen, lopen en, niet te vergeten: kijken. De sociologie van de oogopslag is daarbij een fascinerend, maar helaas hogelijk ondergewaardeerd onderwerp. Het zitten, waarover Abrahams schrijft, is uiteraard een onlosmakelijk onderdeel van dit geheel. Om de symboliek van de omgangsvormen draait het symbolisch interactionisme, een onderzoeksrichting die wortelt in de ‘praktische’ benadering die aan de Universiteit van Chicago tot bloei kwam in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw en zich van daaruit vooral vestigde aan de Amerikaanse westkust, met name de sociologische en antropologische centra van de Universiteit van Californië in Los Angeles, San Diego, San Francisco en zelfs ‘landbouwuniversiteit’ Davis.

 


Op de Dam, Amsterdam-Centrum

De vrouwelijke tegenpool van de wijdbeense man is volgens Abrahams de vrouw met de tas. In de vakliteratuur is zij bekend als de nester, de nestjesbouwer. Ze is onder anderen beschreven door Lyn Lofland in haar A World of Strangers dat dateert uit begin jaren 1970 en dat sterk beïnvloed is door het werk van Erving Goffman, misschien wel de belangrijkste ‘grondlegger’ van het symbolisch interactionisme. Lofland heeft maandenlang systematisch geobserveerd in wachtkamers, horecagelegenheden en andere openbare ruimten, maar kan ook geen statistieken overleggen. Haar indruk is dat nestjebouwers vooral jongemannen en middelbare vrouwen zijn, en dat ze er meestal keurig uitzien. Als ze eenmaal zitten, staan ze zelden op want daarvoor hebben ze het veel te druk: such persons busy themselves with arranging and rearranging ‘props’, much in the manner of a bird building and occupying a nest, schrijft Lofland. Ze voegt er een belangrijke observatie aan toe. Note that this absorption with props functions to keep the eyes occupied so that one does not have to be concerned with eye contact (…) And the busyness suggests to those about that there is a person who has many important things to do and is therefore not a person with whom one should attempt any interactions. Ziedaar de achtergrond van de bovenvermelde opmerking van Frits Abrahams: aan iemand die op die manier bezig is, vraag je niet graag om op te schikken of zijn spullen op te ruimen.

 


In het Sarphatipark, Amsterdam-Centrum

Het laat ook zien dat de typering van Abrahams nogal statisch is: niet meer dan een momentopname. Wil je iets van de achtergronden weten, dan heb je veel meer informatie nodig. Het zitten is onderdeel van een ingewikkeld proces. Over welke ruimte hebben we het precies? Hoeveel zitplaatsen zijn daar aanwezig? Is het druk? Lawaaiig? Wat is de volgorde van zitten? De wijdbeense man is gaan zitten toen hij nog de ruimte had, hij heeft als ‘gevestigde’ zitter een onderhandelingspositie ten opzichte van degenen die na hem komen. Tien tegen één dat hij oogcontact zo lang mogelijk vermijdt in de verwachting dat mensen eerst naar andere lege plekken gaan zoeken voordat ze zich naast hem wringen.

 


In het stadspark van Amsterdam-Osdorp

Via de handeling van het ‘alledaagse’ zitten, banaler kan het niet, kom je met een paar stappen bij centrale vragen over menselijke omgangsvormen, bij het sociale leven zelf. Frits Abrahams heeft daar een feilloos gevoel voor.

 

illustraties
Alle ‘zitfoto’s’ zijn gemaakt door Lodewijk Brunt (copyright)