Af en toe besteed ik op deze plek aandacht aan het vertaalwerk waarbij ik betrokken ben: literaire teksten uit het Hindi omzetten in het Nederlands. Ik doe dat samen met Dr Dick Plukker van het India Instituut te Amsterdam en we hebben al een klein oeuvre op onze naam staan: poëzie, filmliedjes, korte verhalen, een novelle en, sinds enige tijd, een bundel korte verhalen van de bekroonde schrijfster Anu Singh Choudhary: Nila Skarf (नीला स्कार्फ) oftewel: De blauwe sjaal, zoals we het, voorlopig, hebben vertaald. Daar zijn we overigens nog druk mee bezig. De bundel is niet dik, maar we schieten er niet als een vuurpijl doorheen. We hebben naast onze gewone werkzaamheden maar een beperkt aantal uren die we aan het vertalen kunnen besteden, soms vallen vertaalsessies weg wegens vakanties, ziekte of andere omstandigheden. Maar ook, ik geef het eerlijk toe, vanwege de moeilijkheidsgraad. Zoals het betrekkelijk lange verhaal over Bisesar Bo dat uitbundig gebruik maakt van bhojpuri, een dialect van het Hindi dat vooral in Bihar en Uttar Pradesh wordt gesproken, maar buiten India ook in delen van Pakistan en Nepal. En overal waar in de negentiende eeuw Indiase ‘gastarbeiders’ terechtgekomen zijn, van de Fiji-eilanden tot in Suriname.

Afgezien daarvan tref je in het verhaal nogal wat woorden aan die je in navolging van Arthur Langeveld (Vertalen wat er staat) equivalentloos kunt noemen: woorden in de ‘brontaal’ (de taal waaruit je vertaalt) die in de ‘doeltaal’ (de taal waarin je vertaalt) niet bestaan. Daaronder vallen realia, woorden die concrete dingen aanduiden, uit het alledaagse leven. Langeveld merkt op dat je zelfs bij verwante talen als Nederlands, Duits en Engels talrijke dingen kunt aantreffen die ‘onvertaalbaar’ zijn. Dat geldt bij voorbeeld voor gerechten en etenswaren. Zoals Langeveld zegt: Voor boerenkool, hutspot, een broodje tartaar, een krentenbol, gevulde koek zal men al vrij gauw over de grens niets meer kunnen vinden. Bij verder uit elkaar liggende culturen als de Indiase en de Nederlandse (laten we voor het gemak maar even aannemen dat er zulke culturen bestaan) geldt dat nog sterker. Ik teken uit onze vertaling van het verhaal over Bisesar Bo een paar voorbeelden op: motichoor, bundi, laddu, dhoti, puri, kanail. We hebben deze woorden onvertaald gelaten, meestal omdat uit de context duidelijk wordt om welke zaken het gaat. Bovendien  is dhoti in het Nederlands bekend, al was het alleen maar uit de Nederlands-Indische context, net als dat andere Indiase kledingstuk: sari.

Problematischer is het woord gorin (गोड़िन). Bisesar Bo is een gorin, dat wil zeggen: lid van een lage kaste in het gebied waar het verhaal zich afspeelt. Leden van die kaste voeren hand- en spandiensten uit voor grondbezitters en rijke boeren in ruil voor bescherming en bijdragen aan het levensonderhoud. Het is bijna een kwestie van lijfeigenschap of horigheid, maar in keurig wetenschappelijk jargon spreken we liever van een patronageverhouding. Zo’n verhouding is gepersonaliseerd, bepaalde families zijn al vele generaties aan elkaar verbonden. Zo ook in het geval van Bisesar Bo, althans de familie van haar man Bisesar. In het verhaal komt dat zijdelings ter sprake. In de familie waar Bisesar Bo ‘dient’ en haar echtgenoot allerlei klusjes opknapt, is de pater familias overleden, maar heeft de oudste zoon diens rol overgenomen. Het is onbekend hoeveel generaties de Bisesars al onbetaalde diensten verlenen aan de familie. In ruil krijgen ze in de oogsttijd een beetje geld en een voorraadje graan. Voor de rest van het jaar hoeven ze zich geen zorgen te maken om kleding: bij feestdagen en huwelijken schieten er wat dhoti’s en afgedankte kledingstukken over. Waarschijnlijk voelt Bisesar zich verplicht om één keer in de paar maanden de vis die hij vangt bij de deur van meneer te deponeren.

Het verhaal draait voor een deel om een huwelijksfeest dat plaatsvindt bij de familie. De oudste zoon is al getrouwd, maar nu gaat ook de jongste zoon trouwen. Het huishouden is in rep en roer, want de oudste zoon is het aan zijn stand (als grondbezitter en als lid van de dorpsraad) verplicht flink uit te pakken. Bisesar Bo moet er onder andere voor zorgen dat de binnenplaats, waar de gasten ontvangen zullen worden, grondig geveegd en gewit wordt, een hels karwei. Mevrouw loopt de godganse dag achter haar aan met allerhande klusjes en tussendoor moet ze ook nog opdrachten aannemen van de (oudste) schoondochter. Ze kan zich niet permitteren om één van beiden te negeren: mevrouw is oppermachtig, maar de schoondochter zal haar te zijner tijd opvolgen en dus kun je haar maar beter eveneens te vriend houden.

 


De handen inéén.

Weinig lezers zullen er moeite mee hebben om te begrijpen dat een huwelijk een niet-alledaagse gebeurtenis is waar feestelijkheden plaatsvinden. Is dat niet vrijwel universeel? Toch is de gang van zaken bij een huwelijk in India, zeker in de ‘hogere kringen’, een betrekkelijk gecompliceerde aangelegenheid, niet alleen vanwege de duur en de kosten, maar ook het enorme aantal gasten. Ik moet er onmiddellijk bij aantekenen dat ‘het Indiase huwelijk’ niet bestaat, iedere subcultuur kent zijn eigen variaties, om maar te zwijgen van de verschillen in huwelijksceremonieel tussen, bij voorbeeld, Hindoes, Sikhs en Moslims. In het verhaal over Bisesar Bo, dat zich vermoedelijk in kringen van Hindoes afspeelt, is sprake van de huwelijksstoet, musici, dansers, gasten, allerlei rituelen. De schrijfster veronderstelt terecht dat haar lezers precies weten wat de gang van zaken is, maar dat geldt bepaald niet voor lezers uit een andere cultuur, in casu de Nederlandse. Het Indiase traditionele huwelijk is patrilokaal: getrouwde zoons wonen met hun echtgenoten en kinderen in bij zijn ouders, de schoonouders van de bruid. Het huwelijk is dus ook een ‘verhuizing’, de bruid neemt afscheid van haar ouderlijk huis en haar familie en komt onder het ‘gezag’ van haar schoonfamilie, in de praktijk veelal haar schoonmoeder. Mijn Indiase buurvrouw in Mumbai refereerde altijd aan haar schoonmoeder als the boss, een van de weinige Engelse woorden die ze kende.

 


Verbonden.

Bij het huwelijksfeest is sprake van een exclusief vrouwenritueel, waarbij de hele nacht wordt gezongen en gedanst en waarbij de gek wordt gestoken met mannen, de eigen mannen in het bijzonder. Een belangrijk moment is het vertrek van de bruidegom met een lange stoet vrienden en verwanten: ze gaan naar het huis van de bruid om haar op te halen en komen met een nog grotere stoet weer terug naar huis, gevolgd door de familie en vrienden van de bruid. Er worden geschenken uitgewisseld, mogelijk ook de bruidsschat. De gastheer lost vreugdeschoten met zijn dubbelloops jachtgeweer, de bruid krijgt vermiljoen in het haar, de vrouwelijke gasten hennatekeningen op armen en handen.

 


Het moment van munh dikhaaii

Tot de hoogtepunten horen twee handelingen die de verbondenheid van het nieuwe paar symboliseren: het tonen van het gezicht van de bruid (die gesluierd haar nieuwe thuis betreedt) en het bruidspaar dat elkaar een koordje om de pols bindt om hun samenzijn vast te leggen. Het gaat om munh-dikhaaii (मुंह-दिखाई), respectievelijk kankan utraaii (कंकन उतराई), beide duidelijk equivalentloze woorden. Ik heb nog aan mijn collega-vertaler voorgesteld om zulke verwijzingen in hun geheel samen te vatten onder de aanduiding ‘ceremonieel’ of ‘ritueel’ van het huwelijk, maar we besloten dat daarmee toch veel van de couleur locale verloren zou gaan.

Voetnoten dus maar… iets waartoe we alleen in uiterste gevallen ons toevlucht toe nemen. Maar het is niet anders. Het gaat hier niet alleen om equivalentloze woorden, maar om equivalentloze activiteiten en rituelen.

 

illustraties:
Indiase huwelijken; bron: indiaonline.in
de sluier gaat af; bron: hotstar.com
de gesluierde bruid; bron: bonobology.com