Toen ik onlangs het bericht las over de tentoonstelling in Utrecht met als onderwerp de ‘laatste zuil’ van Nederland, moest ik onmiddellijk aan mijn ex-buurvrouw Saantje denken. Ik heb goede herinneringen aan haar; als ze me op de koffie vroeg, zaten we te kletsen in haar keukentje. Altijd stond er een walmend petroleumlichtje op het aanrecht, soms met stoofpeertjes, soms met stoofvlees of met voor mij onbekende gerechten met andere geuren. De koffie nam de smaak van de dag over, hoewel ik niet eens meer zeker weet of ze eigenlijk wel koffie schonk.

Ze was een uitgesproken vertegenwoordigster van het orthodoxe protestantisme waarover genoemde tentoonstelling gaat. Een ‘zware’, zoals dat heette in het Alblasserwaardse dorp waar ze woonde. Ik verbleef er ruim een jaar voor mijn dissertatieonderzoek, het lijkt een eeuwigheid geleden. Ik woonde in een huis aan de overkant van de toegangsweg tot het dorp, zij woonde langs het riviertje dat het dorp in tweeën splitste, naast de Maalderij waar veevoer verkocht werd en tractoren werden gerepareerd. Ze moet destijds een jaar of zeventig zijn geweest, weduwe, krasse oude dame, geestig en bij de tijd. Ook nieuwsgierig naar mijn activiteiten en buitengewoon eigenwijs in haar instructies over wie ik als gesprekspartners zou moeten uitkiezen. De meeste mensen deugden voor geen cent en zouden me leugens op de mouw spelden. Zij had patent op de waarheid, dat was duidelijk, maar deze was exclusief geënt op de Bijbel, het sociale leven in het dorp en de onderlinge verhoudingen, mijn onderwerp van studie, vermochten haar maar matig te boeien.

Ze had een kostganger in huis die veel ‘aan de weg’ was, een vertegenwoordiger. In wat heb ik, geloof ik, nooit geweten. Hij had nauwe connecties met de ‘schuurkerk’, iets verderop: een oude loods die provisorisch als gehoorzaal was ingericht. Daar werden kerkdiensten gehouden, niet op zondag, maar op doordeweekse avonden. Het was er altijd vol. Omdat ik de kostganger van Saantje persoonlijk kende, kreeg ik steeds een mooie plaats toegewezen. Was hij ouderling? Diaken? Ik weet het niet, maar hij zat hoog in de hiërarchie, zoveel begreep ik er wél van—hij zei iedereen stemmig gedag en mensen liepen speciaal om, om hem te begroeten of iets aan hem te vragen. De hele ambiance had iets van een schuilkerk, alsof er illegale activiteiten plaatsvonden, het was voor mij een reden om op de uitnodigingen in te gaan als het maar enigszins mogelijk was.

De Alblasserwaard stond in de tijd dat ik er onderzoek deed, te boek als ‘orthodox gereformeerd’, ‘streng Calvinistisch’, maar de ‘zwaren’ van Saantje en haar kostganger vormden een afgetekende minderheid, getalsmatig zowel als wat invloed betreft. De SGP, hún politieke partij, was in de gemeenteraad vertegenwoordigd, maar met nooit meer dan één zetel, in sommige jaren hooguit twee. De ARP (toen nog zelfstandig en niet opgeslokt door het CDA) was de bepalende factor in de plaatselijke politiek, ondersteund door de CHU. De Afscheiding van 1834 heeft nauwelijks aanhang gehad in het gebied, de Doleantie van de jaren 1880 deste meer. In die zin was de streek wel degelijk ‘gereformeerd’, maar de aanhangers van de Gereformeerde Kerken en die van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk verschillen hemelsbreed van elkaar in wereldbeschouwing en religieuze overtuiging. De ‘gereformeerden’ van de Vrije Universiteit, de zogenaamde ‘kleine luyden’ van Abraham Kuyper, zijn typische vertegenwoordigers van wat ooit een Innerweltliche Askese is genoemd: hard werken, sparen, discipline, ingetogenheid, gericht op de maatschappij. De ruggengraat van de samenleving. De ‘hervormd gereformeerden’ (ik besef dat de terminologie verwarrend is voor buitenstaanders) hebben een totaal andere oriëntatie in het leven. Ze zijn in hart en ziel ‘vreemdelingen’ in de maatschappij, ze leven van de wereld afgekeerd, hebben een Ausserweltliche oriëntatie. ‘Werelds’ staat voor oppervlakkigheid, ongeloof, radio, tv, werken op zondag, alles wat afleidt, slechtigheid. Het enige wat er écht toe doet is de persoonlijke relatie tot God, liever gezegd ‘de Here’. Hun ‘bevindelijke’ levensstijl is erop gericht om een signaal op te vangen dat God zich met hen bemoeit, met hen ‘bezig is’. En of de Here nou aandacht voor hen heeft of niet, zij hebben nauwelijks voor iets anders aandacht dan de Here. Nogal eenzijdig, misschien.

Misschien is dat eerder een kwestie van aanvoelen dan van verstand. Ze zijn het product van de zogenaamde ‘Nadere Reformatie’. Een intellectuele voorman die in de Alblasserwaard druk geraadpleegd werd, was Bernardus Smijtegeld van wie tientallen preken zijn opgetekend en verzameld onder de titel Het gekrookte riet. Eenvoudige gelovigen konden in deze preken de tekenen vinden die aangaven of iemand écht bekeerd was en door God was aangeraakt. In hun kringen werd ook druk gelezen in zogenaamde ‘stichtelijke lectuur’, bekeringsgeschiedenissen, liefst van zondaars die tóch nog het licht kregen te zien. In kleinere groepen werden alle mogelijke aanwijzingen besproken en gewogen. Ik ben in zo’n conventikel een keer getuige geweest van een predikant die vertelde bij een stervende man op bezoek te zijn geweest. De man had gezegd dat hij een vreselijk lijden achter de rug had, maar nu toch blij was voor het aangezicht van God te kunnen verschijnen. De predikant had de man bestraffend toegesproken: waar haal je de hoogmoed vandaan om zoiets te zeggen, je bent nog steeds een nietige worm in het aangezicht van de Here. Het gehoor had instemmend geknikt: precies, zo is het, denk maar niet dat je iemand bent. Het was voor mij een van de redenen om de ‘schuurkerk’ niet langer te bezoeken, voor mijn gevoel zou ik een al te grote huichelaar zijn geweest om bij dit soort bijeenkomsten te blijven zitten zonder te protesteren. Maar bovendien bleek keer op keer dat mijn Bijbelkennis pijnlijk tekort schoot en dat ik geen enkel psalm kon meezingen.

 


Stichtelijk…

Het genoemde artikel over de tentoonstelling, gespreid over twee volle pagina’s (NRC, 16 juli 2019) spreekt over de Nederlandse Biblebelt. Het betreft een strook die van Zuidwest Zeeland tot Noordoost Drenthe over het land ligt: daar vinden we vanouds de meeste ‘zwaren’. De Wageningse historicus Anton Wichers typeerde deze strook ooit als de overherigheidgrens, tot daar was het feodalisme opgeschoven. Langs die grens ontwikkelden zich kleine, onafhankelijke gemeenschappen die hun eigen politieke en religieuze lot bepaalden. Die eigenzinnigheid zie je nog steeds in de manier waarop de streng-gereformeerden georganiseerd zijn: hun eigen ‘Bond’ binnen de Hervormde Kerk, maar daarnaast een keur aan plaatselijke kerkgenootschappen met losse onderlinge verbanden. Het is misleidend om in dit verband van een zuil te spreken, zoals NRC deed. Inmenging van bovenaf wordt niet getolereerd en predikanten zoekt men zélf wel uit. Een reeks predikanten, die de titel niet verkregen hebben door universitaire studie maar op basis van particuliere gaven, reist als nomaden langs de overherigheidsgrenzen en prediken dan weer hier, dan weer daar. In ‘mijn’ tijd waren de predikanten uit plaatsen als Staphorst, Urk, Tholen in trek: als zij kwamen preken, puilde de schuurkerk uit.

 


Zéér stichtelijk…

Bij de tentoonstelling horen blijkbaar ook foto’s van vrouwen in hun dagelijkse klofje en hoe ze er op zondag uitzien. Opmerkelijk dat in het hele artikel niet wordt gerept van het kledingstuk dat voor velen altijd het kenmerk bij uitstek is geweest van de ‘zwaren’, namelijk zwarte kousen. Zouden de zwartekousenkerken dan zodanig van karakter veranderd zijn dat die kousen geen onderscheidend kenmerk meer vormen? Hoe dan ook, het gaat nog steeds om exotisch volk, dat is zeker. De preken duurden in mijn herinnering eindeloos en hadden vaak het karakter van donderpreken, met een sterke nadruk op de slechtheid van de mensheid in het algemeen, die van de aanwezigen in het bijzonder: jullie hart is zó slecht, een hond zou er nog niet aan willen ruiken! Er werden (uiteraard) alleen psalmen gezongen en wel met héle noten. Van huis uit ben ik al geen kerkganger, maar dit had ik nog nooit eerder gehoord. Ik was gefascineerd en ben dat nog lang gebleven.

Saantje was trouwens ondanks haar onschokbare overtuigingen tolerant tegenover mij als buitenstaander. Mijn beide (jonge) zoons waren niet gedoopt, tot ontzetting van mijn gereformeerde vrienden en kennissen ter plaatse die me bij iedere gelegenheid op het hart drukten dat alsnog te laten doen. Maar Saantje had er alle begrip voor: doop was geen kwestie waar je licht over mocht denken, het was juist goed als ik daar mijn tijd voor nam. Je wist maar nooit.

 

illustraties:
Titelpagina Smijtegeld; bron: veiling.catawiki.nl
Boekomslagen stichtelijke lectuur; bron: digibron.nl