De geschiedenis lijkt soms op een biljartspel. Er wordt een witte bal gestoten, die raakt een blauwe, vervolgens een groene en tenslotte ontstaat er een formatie die je niet op die manier had kunnen voorzien; je hebt nauwelijks tijd om erover na te denken, want het proces gaat in werkelijkheid steeds maar door, formatie na formatie. Deze filosofische bespiegelingen, typisch het werk van een leek, bekropen me toen ik onlangs een klassieke sociologische studie ter hand nam die ik lang niet van nabij had gezien: Black Metropolis van St. Clair Drake en Horace R. Cayton. Dit naar aanleiding van een lezing door een oud-collega, Henri Peretz uit Parijs, die bezig is een boek te schrijven over ‘zwart’ Chicago. Black Metropolis is de afgelopen tijd zo’n beetje zijn Bijbel geworden, waarover hij van alles en nog wat bijeengezocht heeft. Zo gaat het bij ons soort onderzoek, het is een gulzige activiteit die alles in beslag neemt.

Het boek is een omvattende studie van ‘Bronzeville’, zoals Chicago South Side ooit werd aangeduid toen het in het begin van de vorige eeuw van een grotendeels Iers en Duits stadsdeel in een uitgestrekt zwart getto veranderde. De studie past precies in de traditie van de zogenaamde Chicago School, de bakermat van de moderne stadssociologie — aan de hand van diepgravende monografieën werd de sociale samenstelling van Chicago nauwkeurig in kaart gebracht: zwervers, kamerbewoners, Chinezen, Polen, Ieren, zwarten uit het Zuiden. Chicago was de shock city van de periode tussen de laatste decennia van de negentiende eeuw en de eerste decennia van de twintigste eeuw. Van heinde en ver stroomden immigranten toe, op zoek naar werk in de aldoor maar expanderende vleesverwerkende industrie, de fabricage van landbouwmachines en de enorme dienstensector. Iedere tien jaar verdubbelde het inwonertal, meer dan zeventig procent ‘allochtoon’, elders geboren, veelal in het buitenland. De stad was over de hele wereld berucht door de drank- en drugssmokkel van de jaren twintig en dertig, de onvoorstelbare corruptie en de zware, georganiseerde misdaad waarmee Al Capone voor altijd mee zal worden geassocieerd.

Ik bleef hangen bij hoofdstuk 3: ‘The Great Migration’, dat ik vroeger altijd oversloeg omdat ik vooral dingen opzocht in deel III van de studie, over zwart ondernemerschap en de klassentegenstelling binnen de zwarte gemeenschap. Ik realiseerde me plotseling, uiteraard als gevolg van het herdenkingsjaar 2014 (honderd jaar geleden begon de Eerste Wereldoorlog), dat de verschrikkelijke oorlog in Europa niet alleen enorme gevolgen had voor de verhoudingen binnen dat werelddeel, maar óók voor de Verenigde Staten. Het landschap van Europa werd letterlijk omgeploegd, steden en dorpen platgegooid, in Amerika vond in figuurlijke zin hetzelfde plaats.

Immigranten uit de oorlogvoerende naties keerden op grote schaal terug naar hun landen van herkomst om mee te vechten in de loopgraven, later gevolgd door de Amerikaanse legers die naar Europa werden gestuurd, waardoor er met name in bloeiende industriesteden als Chicago een gapend tekort aan arbeidskrachten ontstond. De transatlantische migratie stond vanaf 1914 vrijwel totaal stil en dus moesten er andere oplossingen worden gezocht: haal de zwarten uit de zuidelijke katoenstaten naar het Noorden! Hoewel er diverse zwarte regimenten in Europa hebben gevochten, was de animo onder zwarten voor het leger niet groot. De Amerikaanse bevelhebbers volgden bovendien een ontmoedigingsbeleid: Franse officieren kregen instructie om zwarten geen hand te geven, niet met ze te praten of te eten, de omgang met Franse vrouwen te verbieden. Ik citeer: ‘The fear was that equal treatment might spoil Negroes, making them ungovernable once back in the United States’. En zo begon, inderdaad, de grote zwarte diaspora.

Een ingrijpend proces, voor de talloze individuen die er deel van uitmaakten, ook voor de samenleving als geheel. Ondanks overstromingen en hongersnood en de massale aanval van de gevreesde boll weevil op de katoenplanten, waren de zwarte pachters en katoenplukkers intens verbonden met het katoencomplex en de patronageverhoudingen op de grote plantages — het systeem dat voor de slavernij in de plaats was gekomen, maar er nauwelijks van verschilde. Arbeidsbemiddelaars uit  Chicago stroopten Georgia, Mississippi, Alabama en Florida af om met aanlokkende voorstellen werkers te ronselen voor de industrie, waar je op één dag méér kon verdienen dan in het Zuiden in een week. De plantagebazen en de plaatselijke autoriteiten deden desperate pogingen om ‘hun’ zwarten te houden. Wie arbeiders kwam recruteren moest in sommige deelstaten een vergunning kopen voor 25.000 dollar en had een getuigschrift nodig met de namen van tientallen plaatselijke notabelen — wie dat niet kon overleggen, liep het risico voor lange tijd de gevangenis in te gaan. Het hielp allemaal niet, tenminste niet voldoende, want tussen 1910 en 1920 zijn vele tienduizenden zwarten naar het Noorden getrokken, volgens sommige schattingen ruim twee miljoen — een van de omvangrijkste volksverhuizingen uit de menselijke geschiedenis. Twintig jaar later, toen de mechanische katoenpluk van de grond kwam, lagen de verhoudingen plotseling totaal anders en deden de plantagehouders en hun zetbazen alles om de zwarten juist zo snel en rigoureus mogelijk uit het Zuiden te verdrijven; het tijdperk van de handmatige katoenpluk was toen voorbij.

In steden als Chicago leidde de zwarte migratie tot grote problemen: in eerste instantie huisvesting. Woningen puilden uit en moesten steeds verder worden opgedeeld, terwijl de bouwnijverheid vrijwel stil lag. De gevestigde bevolking van Southside, waar verreweg de meeste zwarten naartoe trokken, werd verdreven en trok naar andere delen van de stad, waar uiteraard hetzelfde soort problemen onstond. In de Studs Lonigan-trilogie van James T Farrell wordt dit proces van ‘etnische successie’ in romanvorm omstandig geboekstaafd. In de noordelijke steden ontstonden voor het eerst grootschalige rassenrellen, de zwarte buurten werden met bommen bekogeld. In Black Metropolis wordt een krantekop aangehaald uit 1917, waarin een zwarte advocaat aan het woord komt: Lawyer Warns Negroes Here to Arm Themselves.

In juli 1919 is het goed raak. Het is een hete dag en velen hebben het strand opgezocht van het grote Michigan-meer. Een zwarte jongen zwemt over de (onzichtbare) grens die het zwarte strand van het witte scheidt. Hij wordt door een groepje blanke jongeren gestenigd, waarop er een gevecht ontstaat tussen groepen zwarten en blanken. De jongen wordt onder water gehouden en verdrinkt. Het resultaat is een burgeroorlog die dagenlang aanhoudt; tientallen doden, honderden gewonden en onschatbare materiële schade. De Eerste Wereldoorlog afgelopen, het nieuwe Amerika geboren.